BWBR0040616
Geldig vanaf 2018-02-13
Artikel 2
Instellingsbesluit Onderzoekscommissie WODC II inzake relatie beleid en WODC
1. Er is een onafhankelijke Onderzoekscommissie WODC II inzake relatie beleid en WODC.
2. De Commissie heeft tot taak onderzoek te verrichten naar:
a) de invulling van de relatie tussen het WODC en beleidsafdelingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid;
b) de positionering van het WODC ten opzichte van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in vergelijking met andere publieke kennisorganisaties en de voor- en nadelen daarvan voor de wetenschappelijke integriteit.
3. De Commissie beoordeelt of:
a) de werkwijze na inwerkingtreding van het Protocol WODC in 2016 naar behoren functioneert;
b) het WODC en andere onderdelen van het bestuursdepartement van Justitie en Veiligheid handelen overeenkomstig het Protocol WODC uit 2016;
c) de onafhankelijkheid van het WODC of van onderzoekers die beleidsonderzoek verrichten in opdracht van het WODC is geschaad; en
d) de deugdelijkheid van de beleidsonderzoeken is geschaad.
4. De Commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan haar opdracht. Hieronder valt in ieder geval:
a) het onderzoek naar eventuele meldingen over een vermeend gebrek aan distantie tussen het WODC en beleidsafdelingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid die dateren van vóór de inwerkingtreding van het Protocol WODC uit 2016;
b) de vraag of het aanbeveling verdient dat het WODC zich aansluit bij het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit, de Gedragscode Wetenschapsbeoefening van de Vereniging van Universiteiten en het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit of een vergelijkbare instantie.
5. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies is de Commissie bevoegd aanbevelingen te doen.
2. De Commissie heeft tot taak onderzoek te verrichten naar:
a) de invulling van de relatie tussen het WODC en beleidsafdelingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid;
b) de positionering van het WODC ten opzichte van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in vergelijking met andere publieke kennisorganisaties en de voor- en nadelen daarvan voor de wetenschappelijke integriteit.
3. De Commissie beoordeelt of:
a) de werkwijze na inwerkingtreding van het Protocol WODC in 2016 naar behoren functioneert;
b) het WODC en andere onderdelen van het bestuursdepartement van Justitie en Veiligheid handelen overeenkomstig het Protocol WODC uit 2016;
c) de onafhankelijkheid van het WODC of van onderzoekers die beleidsonderzoek verrichten in opdracht van het WODC is geschaad; en
d) de deugdelijkheid van de beleidsonderzoeken is geschaad.
4. De Commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan haar opdracht. Hieronder valt in ieder geval:
a) het onderzoek naar eventuele meldingen over een vermeend gebrek aan distantie tussen het WODC en beleidsafdelingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid die dateren van vóór de inwerkingtreding van het Protocol WODC uit 2016;
b) de vraag of het aanbeveling verdient dat het WODC zich aansluit bij het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit, de Gedragscode Wetenschapsbeoefening van de Vereniging van Universiteiten en het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit of een vergelijkbare instantie.
5. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies is de Commissie bevoegd aanbevelingen te doen.