1. De duur van het buitengewoon verlof in maanden wordt bepaald door het totale bedrag aan stimuleringspremie dat de ambtenaar inruilt voor buitengewoon verlof te delen door het maandsalaris dat de grondslag vormt voor de berekening van de stimuleringspremie. Het aantal maanden wordt op hele maanden naar boven afgerond als de uitkomst 0,5 of meer bedraagt en naar beneden als de uitkomst minder dan 0,5 bedraagt.
2. In afwijking van het eerste lid wordt, op verzoek van de ambtenaar, de stimuleringspremie ingeruild voor een langere periode van buitengewoon verlof. De duur van het buitengewoon verlof bedraagt maximaal het dubbele van het aantal maanden bedoeld in het eerste lid. In dat geval dient de volledige stimuleringspremie te worden ingeruild.
3. In afwijking van het eerste lid wordt, op verzoek van de ambtenaar, de stimuleringspremie ingeruild voor een kortere periode van buitengewoon verlof. De duur van het buitengewoon verlof bedraagt ten minste drie maanden.
4. De laatste dag van het buitengewoon verlof is uiterlijk de dag voor de dag waarop de ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in
artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt.