BWBR0040419
Geldig vanaf 2018-04-01
Artikel 2
Rechtspositiebesluit toetsingscommissie inzet bevoegdheden en commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
1. Het salaris van het lid dat tot voorzitter van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden onderscheidenlijk van het lid dat tot voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is benoemd, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 19 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
2. Het salaris van het lid dat tot voorzitter van de afdeling klachtbehandeling van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is benoemd, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
3. Het salaris van de overige leden van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden onderscheidenlijk van de overige leden van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is gelijk aan het maximum van salarisschaal 17 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
4. Het salaris van een lid met een onvolledige arbeidsduur wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een volledige werktijd overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
5. Een lid heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn salaris. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn salaris.
6. In afwijking van het vijfde lid, heeft een lid na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het vijfde lid, recht op doorbetaling van zijn salaris over het aantal uren dat hij arbeid heeft verricht of zou hebben verricht indien die arbeid hem zou zijn aangeboden.
7. a. Bij de op non-actiefstelling of tijdens de non-activiteit, bedoeld in artikel 101 van de wet, kunnen de in dat artikel bedoelde ministers gezamenlijk beslissen dat tijdens de duur van de non-activiteit geen salaris of slechts een gedeelte van het salaris zal worden genoten, in het laatste geval onder aanwijzing van het deel dat zal worden genoten.
b. Indien de non-activiteit anders dan door ontslag wordt beëindigd, kunnen de in artikel 101 van de wet bedoelde ministers gezamenlijk beslissen dat het niet genoten salaris alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden uitbetaald, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte dat zal worden uitbetaald.
8. Het salaris wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden van een lid. Indien het lid op de dag van overlijden aanspraak heeft op vakantie, geldt voor hem dezelfde voorziening die geldt voor rijksambtenaren op grond van de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot de aanspraak op een vergoeding van niet opgenomen vakantie-uren op de datum van ontslag.
9. Indien een lid overlijdt, ontvangt zijn weduwe of weduwnaar, waaronder mede wordt verstaan de achtergebleven levenspartner of de achtergebleven geregistreerd partner, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, dan wel ontvangen zijn minderjarige kinderen, een uitkering overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
2. Het salaris van het lid dat tot voorzitter van de afdeling klachtbehandeling van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is benoemd, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
3. Het salaris van de overige leden van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden onderscheidenlijk van de overige leden van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is gelijk aan het maximum van salarisschaal 17 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
4. Het salaris van een lid met een onvolledige arbeidsduur wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris bij een volledige werktijd overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
5. Een lid heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn salaris. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn salaris.
6. In afwijking van het vijfde lid, heeft een lid na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het vijfde lid, recht op doorbetaling van zijn salaris over het aantal uren dat hij arbeid heeft verricht of zou hebben verricht indien die arbeid hem zou zijn aangeboden.
7. a. Bij de op non-actiefstelling of tijdens de non-activiteit, bedoeld in artikel 101 van de wet, kunnen de in dat artikel bedoelde ministers gezamenlijk beslissen dat tijdens de duur van de non-activiteit geen salaris of slechts een gedeelte van het salaris zal worden genoten, in het laatste geval onder aanwijzing van het deel dat zal worden genoten.
b. Indien de non-activiteit anders dan door ontslag wordt beëindigd, kunnen de in artikel 101 van de wet bedoelde ministers gezamenlijk beslissen dat het niet genoten salaris alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden uitbetaald, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte dat zal worden uitbetaald.
8. Het salaris wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden van een lid. Indien het lid op de dag van overlijden aanspraak heeft op vakantie, geldt voor hem dezelfde voorziening die geldt voor rijksambtenaren op grond van de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot de aanspraak op een vergoeding van niet opgenomen vakantie-uren op de datum van ontslag.
9. Indien een lid overlijdt, ontvangt zijn weduwe of weduwnaar, waaronder mede wordt verstaan de achtergebleven levenspartner of de achtergebleven geregistreerd partner, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, dan wel ontvangen zijn minderjarige kinderen, een uitkering overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.