BWBR0040310
Geldig vanaf 2017-12-06
Artikel 3
Regeling aanvullende eisen toelating middelbaar beroepsonderwijs
1. De Minister kan al dan niet op aanvraag, een grond toevoegen bij een beroepsopleiding genoemd in de bijlageof een andere beroepsopleiding met een of meer gronden toevoegen aan de bijlage indien:
a. objectieve redenen in verband met de toekomstige beroepsuitoefening of de organisatie en de inrichting van het onderwijs het stellen van een aanvullende eis voor toelating tot deze beroepsopleiding rechtvaardigen;
b. de grond geen betrekking heeft op eigenschappen van de student die: 1°. in voldoende mate zijn aan te leren gedurende de beroepsopleiding;
2°. in voldoende mate zijn te ondervangen doordat de student gedurende de beroepspraktijkvorming onder begeleiding staat;
3°. al zijn getoetst in het voortgezet onderwijs; en
1°. in voldoende mate zijn aan te leren gedurende de beroepsopleiding;
2°. in voldoende mate zijn te ondervangen doordat de student gedurende de beroepspraktijkvorming onder begeleiding staat;
3°. al zijn getoetst in het voortgezet onderwijs; en
c. het stellen van een aanvullende eis geen onevenredige afbreuk doet aan de toegankelijkheid van het betreffende onderwijs.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend door een bevoegd gezag of, indien het een opleiding betreft die door meerdere instellingen wordt verzorgd, van de betreffende bevoegde gezagsorganen gezamenlijk.
3. De aanvraag wordt schriftelijk ingediend via Ministerie van OCW, secretariaat MBO, Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag.
4. Een aanvraag wordt ingediend uiterlijk op 1 april van het kalenderjaar voorafgaand aan het studiejaar waarvoor de aanvullende eisen voor het eerst zullen gelden.
5. In de aanvraag wordt gemotiveerd waarom voor de betreffende beroepsopleiding of grond is voldaan aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden.
a. objectieve redenen in verband met de toekomstige beroepsuitoefening of de organisatie en de inrichting van het onderwijs het stellen van een aanvullende eis voor toelating tot deze beroepsopleiding rechtvaardigen;
b. de grond geen betrekking heeft op eigenschappen van de student die: 1°. in voldoende mate zijn aan te leren gedurende de beroepsopleiding;
2°. in voldoende mate zijn te ondervangen doordat de student gedurende de beroepspraktijkvorming onder begeleiding staat;
3°. al zijn getoetst in het voortgezet onderwijs; en
1°. in voldoende mate zijn aan te leren gedurende de beroepsopleiding;
2°. in voldoende mate zijn te ondervangen doordat de student gedurende de beroepspraktijkvorming onder begeleiding staat;
3°. al zijn getoetst in het voortgezet onderwijs; en
c. het stellen van een aanvullende eis geen onevenredige afbreuk doet aan de toegankelijkheid van het betreffende onderwijs.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend door een bevoegd gezag of, indien het een opleiding betreft die door meerdere instellingen wordt verzorgd, van de betreffende bevoegde gezagsorganen gezamenlijk.
3. De aanvraag wordt schriftelijk ingediend via Ministerie van OCW, secretariaat MBO, Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag.
4. Een aanvraag wordt ingediend uiterlijk op 1 april van het kalenderjaar voorafgaand aan het studiejaar waarvoor de aanvullende eisen voor het eerst zullen gelden.
5. In de aanvraag wordt gemotiveerd waarom voor de betreffende beroepsopleiding of grond is voldaan aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden.