1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot het domein II, Milieu, welzijn en infrastructuur, als genoemd in
onderdeel 7.4 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar, aangevuld met de wetten op het gebied van de volksgezondheid en de
artikelen 227,
227a,
228,
231,
255,
257,
272,
287,
289,
293,
294,
titel XX(
300 tot en met 306),
309en
322 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken.
2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van Nederland, voor zover noodzakelijk voor een goede vervulling van de aan de functie gerelateerde taken.
3. De buitengewoon opsporingsambtenaar vermeldt in zijn processen-verbaal en schriftelijke verslagleggingen het in het eerste lid genoemde domein.