BWBR0039744
Geldig vanaf 2017-08-01
Artikel 4
Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum Limburg
1. Het algemeen bestuur bestaat uit zes leden.
2. De Minister wijst drie leden aan.
3. Het college, wijst uit zijn midden drie leden aan.
4. De Minister en het college kunnen voor ieder lid tevens één plaatsvervangend lid, voor het college uit zijn midden, aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.
5. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop de zittingsperiode van het college van de gemeente afloopt.
6. Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het vijfde lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.
7. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijst de Minister of het college zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
8. Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.
2. De Minister wijst drie leden aan.
3. Het college, wijst uit zijn midden drie leden aan.
4. De Minister en het college kunnen voor ieder lid tevens één plaatsvervangend lid, voor het college uit zijn midden, aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.
5. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop de zittingsperiode van het college van de gemeente afloopt.
6. Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het vijfde lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen.
7. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijst de Minister of het college zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
8. Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.