BWBR0039438
Geldig vanaf 2017-04-11
Artikel 14
Regeling interventie 2017
1. Het opslagpand beschikt over:
a. een van een geldig ijkmerk voorziene weegschaal die aan de volgende voorwaarden voldoet: – voor boter een gewichtsaanduiding tot op de tien gram nauwkeurig waarop een doos met een inhoud van 25 kilogram gewogen kan worden;
– voor kaas een gewichtsaanduiding tot op de tien gram nauwkeurig waarop een eenheid met een inhoud van 25 kilogram gewogen kan worden;
– voor mageremelkpoeder een gewichtsaanduiding tot op de tien gram nauwkeurig waarop een zak met een inhoud van 25 kilogram gewogen kan worden;
– voor mageremelkpoeder in big bags een gewichtsaanduiding tot op de 200 gram nauwkeurig waarop een big bag met een maximaal gewicht van 1.500 kilogram gewogen kan worden;
– voor varkens-, rund-, schapen- en geitenvlees een afleeseenheid op 1 kilogram nauwkeurig waarop een opslageenheid als bedoeld in artikel 19, tweede lid, in zijn geheel gewogen kan worden, en
– voor boter een gewichtsaanduiding tot op de tien gram nauwkeurig waarop een doos met een inhoud van 25 kilogram gewogen kan worden;
– voor kaas een gewichtsaanduiding tot op de tien gram nauwkeurig waarop een eenheid met een inhoud van 25 kilogram gewogen kan worden;
– voor mageremelkpoeder een gewichtsaanduiding tot op de tien gram nauwkeurig waarop een zak met een inhoud van 25 kilogram gewogen kan worden;
– voor mageremelkpoeder in big bags een gewichtsaanduiding tot op de 200 gram nauwkeurig waarop een big bag met een maximaal gewicht van 1.500 kilogram gewogen kan worden;
– voor varkens-, rund-, schapen- en geitenvlees een afleeseenheid op 1 kilogram nauwkeurig waarop een opslageenheid als bedoeld in artikel 19, tweede lid, in zijn geheel gewogen kan worden, en
b. een bemonsteringsruimte.
2. De houder van het opslagpand kan de minister verzoeken om boter, kaas, mageremelkpoeder, varkens-, rund-, schapen- of geitenvlees in stellingen te mogen opslaan onder de in Bijlage 1vermelde voorwaarden die na de inslagcontrole door de minister worden verzegeld.
3. De in het tweede lid bedoelde aanvraag wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een door de minister ter beschikking gesteld middel.
a. een van een geldig ijkmerk voorziene weegschaal die aan de volgende voorwaarden voldoet: – voor boter een gewichtsaanduiding tot op de tien gram nauwkeurig waarop een doos met een inhoud van 25 kilogram gewogen kan worden;
– voor kaas een gewichtsaanduiding tot op de tien gram nauwkeurig waarop een eenheid met een inhoud van 25 kilogram gewogen kan worden;
– voor mageremelkpoeder een gewichtsaanduiding tot op de tien gram nauwkeurig waarop een zak met een inhoud van 25 kilogram gewogen kan worden;
– voor mageremelkpoeder in big bags een gewichtsaanduiding tot op de 200 gram nauwkeurig waarop een big bag met een maximaal gewicht van 1.500 kilogram gewogen kan worden;
– voor varkens-, rund-, schapen- en geitenvlees een afleeseenheid op 1 kilogram nauwkeurig waarop een opslageenheid als bedoeld in artikel 19, tweede lid, in zijn geheel gewogen kan worden, en
– voor boter een gewichtsaanduiding tot op de tien gram nauwkeurig waarop een doos met een inhoud van 25 kilogram gewogen kan worden;
– voor kaas een gewichtsaanduiding tot op de tien gram nauwkeurig waarop een eenheid met een inhoud van 25 kilogram gewogen kan worden;
– voor mageremelkpoeder een gewichtsaanduiding tot op de tien gram nauwkeurig waarop een zak met een inhoud van 25 kilogram gewogen kan worden;
– voor mageremelkpoeder in big bags een gewichtsaanduiding tot op de 200 gram nauwkeurig waarop een big bag met een maximaal gewicht van 1.500 kilogram gewogen kan worden;
– voor varkens-, rund-, schapen- en geitenvlees een afleeseenheid op 1 kilogram nauwkeurig waarop een opslageenheid als bedoeld in artikel 19, tweede lid, in zijn geheel gewogen kan worden, en
b. een bemonsteringsruimte.
2. De houder van het opslagpand kan de minister verzoeken om boter, kaas, mageremelkpoeder, varkens-, rund-, schapen- of geitenvlees in stellingen te mogen opslaan onder de in Bijlage 1vermelde voorwaarden die na de inslagcontrole door de minister worden verzegeld.
3. De in het tweede lid bedoelde aanvraag wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een door de minister ter beschikking gesteld middel.