BWBR0039284
Geldig vanaf 2017-03-10
Artikel 2
Besluit vertrouwensdiensten
1. Dit artikel is van toepassing op een verlener van een vertrouwensdienst die op grond van artikel 19, tweede lid, van de eidas-verordening een kennisgeving doet van een inbreuk op de veiligheid of het verlies van integriteit.
2. Bij een kennisgeving meldt de verlener van een vertrouwensdienst aan Onze Minister, aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie en, voor zover het persoonsgegevens betreft, aan het College bescherming persoonsgegevens in ieder geval:
a. de aard en omvang van de veiligheidsinbreuk of het integriteitsverlies;
b. het vermoedelijke tijdstip van de aanvang van de inbreuk of het verlies;
c. het tijdstip, of een benadering daarvan, waarop de verlener van de vertrouwensdienst de inbreuk of het verlies heeft ontdekt;
d. de gevolgen of mogelijke gevolgen van de inbreuk of het verlies;
e. een prognose van de tijd nodig om de inbreuk of het verlies te onderzoeken en van de benodigde hersteltijd;
f. zo mogelijk de door de verlener van vertrouwensdiensten genomen of te nemen maatregelen om de gevolgen van de inbreuk of het verlies te beperken of herhaling hiervan te voorkomen;
g. de contactgegevens van de verlener van de vertrouwensdiensten en van de functionaris die verantwoordelijk is voor het doen van de kennisgeving;
h. welke andere lidstaten van de Europese Unie dan Nederland door het verlies of de inbreuk zijn of kunnen worden getroffen, voor zover van toepassing, en
i. de inhoud van de kennisgeving die, in overeenstemming met het derde lid, aan degene aan wie de betrokken vertrouwensdienst is verleend, is of zal worden gedaan.
3. De kennisgeving aan degene aan wie de betrokken vertrouwensdienst is verleend wordt op zodanige wijze gedaan dat, rekening houdend met de aard van de inbreuk, de gevolgen daarvan en de kring van betrokkenen, een behoorlijke en zorgvuldige informatievoorziening is gewaarborgd.
4. De kennisgeving aan Onze Minister, aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie en, voor zover het persoonsgegevens betreft, aan het College bescherming persoonsgegevens wordt gedaan met gebruik making van een door Onze Minister, Onze Minister van Veiligheid en Justitie respectievelijk het College bescherming persoonsgegevens ter beschikking gesteld middel.
2. Bij een kennisgeving meldt de verlener van een vertrouwensdienst aan Onze Minister, aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie en, voor zover het persoonsgegevens betreft, aan het College bescherming persoonsgegevens in ieder geval:
a. de aard en omvang van de veiligheidsinbreuk of het integriteitsverlies;
b. het vermoedelijke tijdstip van de aanvang van de inbreuk of het verlies;
c. het tijdstip, of een benadering daarvan, waarop de verlener van de vertrouwensdienst de inbreuk of het verlies heeft ontdekt;
d. de gevolgen of mogelijke gevolgen van de inbreuk of het verlies;
e. een prognose van de tijd nodig om de inbreuk of het verlies te onderzoeken en van de benodigde hersteltijd;
f. zo mogelijk de door de verlener van vertrouwensdiensten genomen of te nemen maatregelen om de gevolgen van de inbreuk of het verlies te beperken of herhaling hiervan te voorkomen;
g. de contactgegevens van de verlener van de vertrouwensdiensten en van de functionaris die verantwoordelijk is voor het doen van de kennisgeving;
h. welke andere lidstaten van de Europese Unie dan Nederland door het verlies of de inbreuk zijn of kunnen worden getroffen, voor zover van toepassing, en
i. de inhoud van de kennisgeving die, in overeenstemming met het derde lid, aan degene aan wie de betrokken vertrouwensdienst is verleend, is of zal worden gedaan.
3. De kennisgeving aan degene aan wie de betrokken vertrouwensdienst is verleend wordt op zodanige wijze gedaan dat, rekening houdend met de aard van de inbreuk, de gevolgen daarvan en de kring van betrokkenen, een behoorlijke en zorgvuldige informatievoorziening is gewaarborgd.
4. De kennisgeving aan Onze Minister, aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie en, voor zover het persoonsgegevens betreft, aan het College bescherming persoonsgegevens wordt gedaan met gebruik making van een door Onze Minister, Onze Minister van Veiligheid en Justitie respectievelijk het College bescherming persoonsgegevens ter beschikking gesteld middel.