BWBR0038995
Geldig vanaf 2021-10-01
Artikel 4
Regeling aanvullende bekostiging eerste opvang nieuwkomers vo
1. De aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt per school berekend op basis van het aantal nieuwkomers dat op de betreffende peildatum, bedoeld in het vierde lid, op de school staat ingeschreven.
2. De aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt:
a. € 3.750,86 per kwartaal per nieuwkomer eerste categorie;
b. € 1.373,99 per kwartaal per nieuwkomer tweede categorie.
3. De aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 3, tweede lid, bedraagt € 21.041,75 per school.
4. De peildata zijn 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van het kalenderjaar 2025.
5. De Minister stelt de verblijfstermijn in Nederland voor iedere peildatum vast op basis van:
a. de eerste datum verblijfstitel, zoals blijkt uit de BRP;
b. de datum in Nederland, zoals blijkt uit de BRP; of
c. de datum in Nederland volgens het bevoegd gezag. Alleen in het geval dat het bevoegd gezag van mening is dat de werkelijke datum binnenkomst in Nederland afwijkt van de hiervoor onder a en b genoemde gegevens, dan wel dat de datum onder b gehanteerd zou moeten worden in plaats van onder a, kan het bevoegd gezag in het register onderwijsdeelnemers de werkelijke datum binnenkomst in Nederland registeren.
6. Indien het bevoegd gezag geen datum invult in het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, stelt de Minister de verblijfstermijn in Nederland vast op de eerste datum verblijfstitel, zoals blijkt uit de BRP. Indien in de BRP geen datum verblijfstitel aanwezig is, stelt de Minister de verblijfstermijn in Nederland vast op de datum in Nederland, zoals blijkt uit de BRP.
2. De aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt:
a. € 3.750,86 per kwartaal per nieuwkomer eerste categorie;
b. € 1.373,99 per kwartaal per nieuwkomer tweede categorie.
3. De aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 3, tweede lid, bedraagt € 21.041,75 per school.
4. De peildata zijn 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van het kalenderjaar 2025.
5. De Minister stelt de verblijfstermijn in Nederland voor iedere peildatum vast op basis van:
a. de eerste datum verblijfstitel, zoals blijkt uit de BRP;
b. de datum in Nederland, zoals blijkt uit de BRP; of
c. de datum in Nederland volgens het bevoegd gezag. Alleen in het geval dat het bevoegd gezag van mening is dat de werkelijke datum binnenkomst in Nederland afwijkt van de hiervoor onder a en b genoemde gegevens, dan wel dat de datum onder b gehanteerd zou moeten worden in plaats van onder a, kan het bevoegd gezag in het register onderwijsdeelnemers de werkelijke datum binnenkomst in Nederland registeren.
6. Indien het bevoegd gezag geen datum invult in het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, stelt de Minister de verblijfstermijn in Nederland vast op de eerste datum verblijfstitel, zoals blijkt uit de BRP. Indien in de BRP geen datum verblijfstitel aanwezig is, stelt de Minister de verblijfstermijn in Nederland vast op de datum in Nederland, zoals blijkt uit de BRP.