1. Het college van burgemeester en wethouders verwerkt in het bestand, bedoeld in artikel 3, indien de huisvestingsvergunning, bedoeld in artikel 3, eerste lid, is:
a. geweigerd of: 1°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, niet in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning;
2°. de woningzoekende geen verklaring omtrent het gedrag kon overleggen en het college geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de wet;
1°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, niet in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning;
2°. de woningzoekende geen verklaring omtrent het gedrag kon overleggen en het college geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de wet;
b. verleend of: 1°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning en de woningzoekende een verklaring omtrent het gedrag heeft overlegd;
2°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning en geen verklaring omtrent het gedrag heeft overlegd, maar het college van burgemeester en wethouders toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de wet.
1°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning en de woningzoekende een verklaring omtrent het gedrag heeft overlegd;
2°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning en geen verklaring omtrent het gedrag heeft overlegd, maar het college van burgemeester en wethouders toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de wet.
2. Het college van burgemeester en wethouders verwerkt in het bestand, bedoeld in artikel 3, indien de huisvestingsvergunning, bedoeld in artikel 3, tweede lid, is:
a. geweigerd of: 1°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, niet in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning;
2°. de burgemeester in de woonverklaring heeft verklaard dat er gronden waren om de huisvestingsvergunning te weigeren en het college van burgemeester en wethouders geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de wet;
1°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, niet in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning;
2°. de burgemeester in de woonverklaring heeft verklaard dat er gronden waren om de huisvestingsvergunning te weigeren en het college van burgemeester en wethouders geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de wet;
b. verleend of: 1°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning en de burgemeester in de woonverklaring heeft verklaard dat er geen gronden waren om de huisvestingsvergunning te weigeren;
2°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning en de burgemeester in de woonverklaring heeft verklaard dat er gronden waren om een huisvestingsvergunning te verlenen waaraan voorschriften zijn verbonden. In dat geval worden deze voorschriften en de naam van de persoon of personen op wie deze voorschriften betrekking hebben opgenomen in het bestand;
3°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning en de burgemeester in de woonverklaring heeft verklaard dat er gronden waren om de huisvestingsvergunning te weigeren en het college van burgemeester en wethouders toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de wet.
1°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning en de burgemeester in de woonverklaring heeft verklaard dat er geen gronden waren om de huisvestingsvergunning te weigeren;
2°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning en de burgemeester in de woonverklaring heeft verklaard dat er gronden waren om een huisvestingsvergunning te verlenen waaraan voorschriften zijn verbonden. In dat geval worden deze voorschriften en de naam van de persoon of personen op wie deze voorschriften betrekking hebben opgenomen in het bestand;
3°. de woningzoekende op basis van de criteria, bedoeld in artikel 4, eerste lid, in aanmerking kwam voor een huisvestingsvergunning en de burgemeester in de woonverklaring heeft verklaard dat er gronden waren om de huisvestingsvergunning te weigeren en het college van burgemeester en wethouders toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de wet.
3. Het college van burgemeester en wethouders verwerkt indien er een onderzoek als bedoeld in
artikel 10a, eerste lid, van de wet, heeft plaatsgevonden de woonverklaring in het bestand, bedoeld in artikel 3, tweede lid.
4. Het college van burgemeester en wethouders verwerkt de persoonsgegevens, bedoeld in artikel 10, onderdeel e, die het van de eigenaren of beheerders van woonruimte ontvangt op basis van het schriftelijk verleend mandaat, bedoeld in artikel 10, aanhef, in het bestand, bedoeld in artikel 3.