BWBR0038746
Geldig vanaf 2016-11-26
Artikel 3
Instellingsbesluit Commissie onderzoek naar geweld in de jeugdzorg en jeugdhulp
1. De commissie heeft tot taak onderzoek te doen naar:
a. het fysiek en psychisch geweld dat zich tussen 5 mei 1945 en heden heeft voorgedaan jegens minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in (rijks)instellingen en in pleeggezinnen, minderjarigen die krachtens een rechterlijke machtiging zijn geplaatst in een ggz-instelling en minderjarige vreemdelingen die onder voogdij zijn gesteld van een voogdij instelling en geplaatst zijn in een pleeggezin of opvang van overheidswege;
b. het fysiek en psychisch geweld dat zich tussen 5 mei 1945 en heden heeft voorgedaan in een afgebakende groep internaten voor doven en blinden, waarover tijdens het vooronderzoek signalen zijn ontvangen, jegens de daar geplaatste minderjarigen;
c. de context waarbinnen het geweld als bedoeld onder a en b heeft plaatsgevonden en de mechanismen die bij dit geweld een rol speelden, alsook de mogelijkheden om melding te maken van het zich voordoen ervan;
d. de bekendheid bij de overheid van signalen over het zich voordoen van geweld als bedoeld onder a en b en de wijze waarop de overheid op deze signalen heeft gereageerd;
e. het gewenste aanbod aan hulpverlening voor in de kinderjaren mishandelde en misbruikte volwassenen en of daaraan afgemeten het huidige aanbod adequaat is.
2. De commissie heeft tot taak om op basis van het onderzoek een algemeen beeld te schetsen van wat slachtoffers van geweld als bedoeld in het eerste lid onder a en b is aangedaan.
a. het fysiek en psychisch geweld dat zich tussen 5 mei 1945 en heden heeft voorgedaan jegens minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in (rijks)instellingen en in pleeggezinnen, minderjarigen die krachtens een rechterlijke machtiging zijn geplaatst in een ggz-instelling en minderjarige vreemdelingen die onder voogdij zijn gesteld van een voogdij instelling en geplaatst zijn in een pleeggezin of opvang van overheidswege;
b. het fysiek en psychisch geweld dat zich tussen 5 mei 1945 en heden heeft voorgedaan in een afgebakende groep internaten voor doven en blinden, waarover tijdens het vooronderzoek signalen zijn ontvangen, jegens de daar geplaatste minderjarigen;
c. de context waarbinnen het geweld als bedoeld onder a en b heeft plaatsgevonden en de mechanismen die bij dit geweld een rol speelden, alsook de mogelijkheden om melding te maken van het zich voordoen ervan;
d. de bekendheid bij de overheid van signalen over het zich voordoen van geweld als bedoeld onder a en b en de wijze waarop de overheid op deze signalen heeft gereageerd;
e. het gewenste aanbod aan hulpverlening voor in de kinderjaren mishandelde en misbruikte volwassenen en of daaraan afgemeten het huidige aanbod adequaat is.
2. De commissie heeft tot taak om op basis van het onderzoek een algemeen beeld te schetsen van wat slachtoffers van geweld als bedoeld in het eerste lid onder a en b is aangedaan.