BWBR0038510
Geldig vanaf 2016-10-01
Artikel 3
Besluit traditiecommissie krijgsmacht 2016
1. De commissie bestaat uit navolgende leden:
a. een voorzitter, zijnde een vlag- of opperofficier buiten dienst;
b. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Marine;
c. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Landmacht;
d. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Luchtmacht;
e. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Marechaussee;
f. de directeur van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie;
g. een medewerker van de defensiestaf, belast met museale aangelegenheden;
h. de chef kabinet van de Commandant der Strijdkrachten;
i. de Krijgsmachtadjudant;
j. de protocolofficier van de Commandant der Strijdkrachten;
k. een secretaris, op voordracht van de voorzitter aangewezen door de Commandant der Strijdkrachten.
2. Als een krijgsmachtdeel geen traditiecommissie heeft, treedt de chef kabinet van de commandant van het krijgsmachtdeel als lid van de commissie op.
3. De voorzitter wordt door de minister van Defensie benoemd op voordracht van de Commandant der Strijdkrachten.
4. De benoeming van de voorzitter geldt voor de duur van ten hoogste vijf jaar met de mogelijkheid van een eenmalige herbenoeming.
5. Na consultatie van de leden, wijst de voorzitter een lid aan als een plaatsvervangend voorzitter.
a. een voorzitter, zijnde een vlag- of opperofficier buiten dienst;
b. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Marine;
c. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Landmacht;
d. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Luchtmacht;
e. de voorzitter van de Traditiecommissie Koninklijke Marechaussee;
f. de directeur van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie;
g. een medewerker van de defensiestaf, belast met museale aangelegenheden;
h. de chef kabinet van de Commandant der Strijdkrachten;
i. de Krijgsmachtadjudant;
j. de protocolofficier van de Commandant der Strijdkrachten;
k. een secretaris, op voordracht van de voorzitter aangewezen door de Commandant der Strijdkrachten.
2. Als een krijgsmachtdeel geen traditiecommissie heeft, treedt de chef kabinet van de commandant van het krijgsmachtdeel als lid van de commissie op.
3. De voorzitter wordt door de minister van Defensie benoemd op voordracht van de Commandant der Strijdkrachten.
4. De benoeming van de voorzitter geldt voor de duur van ten hoogste vijf jaar met de mogelijkheid van een eenmalige herbenoeming.
5. Na consultatie van de leden, wijst de voorzitter een lid aan als een plaatsvervangend voorzitter.