BWBR0038503
Geldig vanaf 2016-09-13
Artikel 3
Instellingsbesluit Ministeriële Commissie Crisisbeheersing 2016
1. Vaste leden van de Commissie zijn de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en de Minister van Veiligheid en Justitie.
2. De Minister van Veiligheid en Justitie is voorzitter van de Commissie tenzij de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, beslist dat hij voorzitter is.
3. Iedere minister of staatssecretaris kan de Minister van Veiligheid en Justitie verzoeken de Commissie in vergadering bijeen te roepen. De voorzitter van de Commissie besluit over het verzoek in overeenstemming met de Minister-President, Minister van Algemene Zaken en na overleg met de minister of staatssecretaris die als eerste verantwoordelijk is voor de aangelegenheid waarop het verzoek betrekking heeft.
4. De voorzitter wijst in overeenstemming met de Minister-President, Minister van Algemene Zaken per situatie en zo nodig per vergadering aan welke andere ministers lid van de Commissie zijn.
5. De voorzitter van de Commissie kan toestaan dat staatssecretarissen met raadgevende stem aan vergaderingen deelnemen, voor zover het zaken betreft waarbij zij uit hoofde van hun taak rechtstreeks zijn betrokken.
6. Deskundigen kunnen op uitnodiging van de voorzitter, na overleg met de minister of staatssecretaris die daarbij in het bijzonder is betrokken, vergaderingen bijwonen.
7. Ministers of staatssecretarissen kunnen zich met vooraf verkregen toestemming van de voorzitter van de Commissie tijdens vergaderingen door een ambtenaar doen bijstaan.
8. De Commissie neemt geen bevoegdheden over van enige minister en neemt ook geen besluiten over aangelegenheden waarbij een niet-aanwezige minister in het bijzonder is betrokken.
2. De Minister van Veiligheid en Justitie is voorzitter van de Commissie tenzij de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, beslist dat hij voorzitter is.
3. Iedere minister of staatssecretaris kan de Minister van Veiligheid en Justitie verzoeken de Commissie in vergadering bijeen te roepen. De voorzitter van de Commissie besluit over het verzoek in overeenstemming met de Minister-President, Minister van Algemene Zaken en na overleg met de minister of staatssecretaris die als eerste verantwoordelijk is voor de aangelegenheid waarop het verzoek betrekking heeft.
4. De voorzitter wijst in overeenstemming met de Minister-President, Minister van Algemene Zaken per situatie en zo nodig per vergadering aan welke andere ministers lid van de Commissie zijn.
5. De voorzitter van de Commissie kan toestaan dat staatssecretarissen met raadgevende stem aan vergaderingen deelnemen, voor zover het zaken betreft waarbij zij uit hoofde van hun taak rechtstreeks zijn betrokken.
6. Deskundigen kunnen op uitnodiging van de voorzitter, na overleg met de minister of staatssecretaris die daarbij in het bijzonder is betrokken, vergaderingen bijwonen.
7. Ministers of staatssecretarissen kunnen zich met vooraf verkregen toestemming van de voorzitter van de Commissie tijdens vergaderingen door een ambtenaar doen bijstaan.
8. De Commissie neemt geen bevoegdheden over van enige minister en neemt ook geen besluiten over aangelegenheden waarbij een niet-aanwezige minister in het bijzonder is betrokken.