BWBR0038446
Geldig vanaf 01-09-2016
Artikel 3
Besluit beleidsregel respijttermijnen voor biociden
De werkwijze voor vaststelling van een respijttermijn is als volgt bepaald:
1. Het College stelt op gemotiveerd verzoek van de toelatinghouder de respijttermijn vast aan de hand van het bepaalde in artikel 52 van Verordening 528/2012. De maximale termijn die gegeven wordt is 6 maanden voor aflevering en nog eens 6 maanden aansluitend voor opgebruik.
2. Geen termijn wordt gegeven bij een onaanvaardbaar risico voor mens, dier of milieu en evenmin als er geen sprake is van voorraad.
3. Bij de vaststelling van de lengte van de respijttermijn weegt het College in ieder geval de volgende factoren mee: – dat de termijn afhangt van de waarschijnlijkheid en de ernst van het risico voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu;
– dat de lengte van de termijn mede afhangt van de mate waarin de wijziging of intrekking voor de markt en/of gebruiker onvoorzien was en van de mogelijkheden van de markt en gebruikers om de gevolgen van de plotselinge intrekking of wijziging op te vangen;
– dat de termijn bij voorkeur niet afloopt binnen een gebruiksseizoen;
– de omvang van de bestaande voorraad van de betreffende biocide.
– dat de termijn afhangt van de waarschijnlijkheid en de ernst van het risico voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu;
– dat de lengte van de termijn mede afhangt van de mate waarin de wijziging of intrekking voor de markt en/of gebruiker onvoorzien was en van de mogelijkheden van de markt en gebruikers om de gevolgen van de plotselinge intrekking of wijziging op te vangen;
– dat de termijn bij voorkeur niet afloopt binnen een gebruiksseizoen;
– de omvang van de bestaande voorraad van de betreffende biocide.
4. Wet en Verordening staan niet toe dat bij expiratie van de toelating een respijttermijn wordt gegeven.
1. Het College stelt op gemotiveerd verzoek van de toelatinghouder de respijttermijn vast aan de hand van het bepaalde in artikel 52 van Verordening 528/2012. De maximale termijn die gegeven wordt is 6 maanden voor aflevering en nog eens 6 maanden aansluitend voor opgebruik.
2. Geen termijn wordt gegeven bij een onaanvaardbaar risico voor mens, dier of milieu en evenmin als er geen sprake is van voorraad.
3. Bij de vaststelling van de lengte van de respijttermijn weegt het College in ieder geval de volgende factoren mee: – dat de termijn afhangt van de waarschijnlijkheid en de ernst van het risico voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu;
– dat de lengte van de termijn mede afhangt van de mate waarin de wijziging of intrekking voor de markt en/of gebruiker onvoorzien was en van de mogelijkheden van de markt en gebruikers om de gevolgen van de plotselinge intrekking of wijziging op te vangen;
– dat de termijn bij voorkeur niet afloopt binnen een gebruiksseizoen;
– de omvang van de bestaande voorraad van de betreffende biocide.
– dat de termijn afhangt van de waarschijnlijkheid en de ernst van het risico voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu;
– dat de lengte van de termijn mede afhangt van de mate waarin de wijziging of intrekking voor de markt en/of gebruiker onvoorzien was en van de mogelijkheden van de markt en gebruikers om de gevolgen van de plotselinge intrekking of wijziging op te vangen;
– dat de termijn bij voorkeur niet afloopt binnen een gebruiksseizoen;
– de omvang van de bestaande voorraad van de betreffende biocide.
4. Wet en Verordening staan niet toe dat bij expiratie van de toelating een respijttermijn wordt gegeven.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0038446
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl