BWBR0038391
Geldig vanaf 10-08-2016
Artikel 6
Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging Kansspelautoriteit 2016
1. De directeur is gemachtigd tot het verrichten van handelingen die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.
2. De hoofden van de dienstonderdelen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, zijn gemachtigd tot:
a. het afdoen van brieven van feitelijke aard en voeren van correspondentie voor zover betrekking hebbend op de eigen afdeling, zoals het toezenden van stukken en informatieverstrekking;
b. het vaststellen van aanvraagformulieren als bedoeld in artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht;
c. het doen van een kennisgeving van verdaging als bedoeld in artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht;
d. het voldoen aan de doorzendplicht als bedoeld in de artikelen 2:3 en 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht;
e. het stellen van een termijn om een aanvraag aan te vullen met gegevens en bescheiden, dan wel met een vertaling;
f. het aangaan van een overeenkomst met een bewerker over de uitvoering van een gegevensverwerking en het hierbij schriftelijk laten vastleggen van de vereiste technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen, op grond van artikel 14 van de Wet bescherming persoonsgegevens;
g. het doen van een melding van het voornemen een verwerking te starten, op grond van artikel 27 van de Wet bescherming persoonsgegevens;
h. het doen van een melding van een gegevensverwerking waarbij door het Autoriteit Persoonsgegevens een voorafgaand onderzoek wordt ingesteld, op grond van artikel 32 van de Wet bescherming persoonsgegevens;
i. de vereiste informatieverstrekking aan de betrokkene indien zijn persoonsgegevens bij hem worden verkregen, op grond van artikel 33 van de Wet bescherming persoonsgegevens;
j. de vereiste informatieverstrekking aan de betrokkene indien zijn persoonsgegevens op een andere wijze dan bedoeld in artikel 33 van de Wet bescherming persoonsgegevens, worden verkregen, op grond van artikel 34 van de Wet bescherming persoonsgegevens;
k. het buiten toepassing laten van de bepalingen opgenomen in artikel 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens, voor zover het betreft de artikelen 9, eerste lid, 33 en 34, met inachtneming van de in dit artikel opgenomen gronden;
l. een derde in de gelegenheid stellen zijn zienswijze naar voren te brengen indien een mededeling aan een betrokkene op grond van artikel 35, eerste lid van de Wet bescherming persoonsgegevens, gegevens van deze derde bevat, op grond van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens.
2. De hoofden van de dienstonderdelen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, zijn gemachtigd tot:
a. het afdoen van brieven van feitelijke aard en voeren van correspondentie voor zover betrekking hebbend op de eigen afdeling, zoals het toezenden van stukken en informatieverstrekking;
b. het vaststellen van aanvraagformulieren als bedoeld in artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht;
c. het doen van een kennisgeving van verdaging als bedoeld in artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht;
d. het voldoen aan de doorzendplicht als bedoeld in de artikelen 2:3 en 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht;
e. het stellen van een termijn om een aanvraag aan te vullen met gegevens en bescheiden, dan wel met een vertaling;
f. het aangaan van een overeenkomst met een bewerker over de uitvoering van een gegevensverwerking en het hierbij schriftelijk laten vastleggen van de vereiste technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen, op grond van artikel 14 van de Wet bescherming persoonsgegevens;
g. het doen van een melding van het voornemen een verwerking te starten, op grond van artikel 27 van de Wet bescherming persoonsgegevens;
h. het doen van een melding van een gegevensverwerking waarbij door het Autoriteit Persoonsgegevens een voorafgaand onderzoek wordt ingesteld, op grond van artikel 32 van de Wet bescherming persoonsgegevens;
i. de vereiste informatieverstrekking aan de betrokkene indien zijn persoonsgegevens bij hem worden verkregen, op grond van artikel 33 van de Wet bescherming persoonsgegevens;
j. de vereiste informatieverstrekking aan de betrokkene indien zijn persoonsgegevens op een andere wijze dan bedoeld in artikel 33 van de Wet bescherming persoonsgegevens, worden verkregen, op grond van artikel 34 van de Wet bescherming persoonsgegevens;
k. het buiten toepassing laten van de bepalingen opgenomen in artikel 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens, voor zover het betreft de artikelen 9, eerste lid, 33 en 34, met inachtneming van de in dit artikel opgenomen gronden;
l. een derde in de gelegenheid stellen zijn zienswijze naar voren te brengen indien een mededeling aan een betrokkene op grond van artikel 35, eerste lid van de Wet bescherming persoonsgegevens, gegevens van deze derde bevat, op grond van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0038391
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl