1. De Minister verstrekt op aanvraag een tegemoetkoming aan degene die tot en met 31 december 2014 viste in de wateren, bedoeld in
bijlage 16 van de Uitvoeringsregeling visserij, en wiens overeenkomst van huur van visrecht of schriftelijke toestemming voor het stellen van vaste vistuigen in 2015 door de Minister is opgezegd onderscheidenlijk ingetrokken als gevolg van het visverbod, bedoeld in
artikel 28b van de Uitvoeringsregeling visserij, voor zover door de aanvrager geen vervangende vislocatie is geaccepteerd.
2. De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, bedraagt het gemiddelde netto jaarresultaat, berekend uit de netto jaarresultaten die zijn behaald in de jaren 2013 en 2014 uit de visserij op aal en wolhandkrab in de gebieden, waarop het in het eerste lid bedoelde verbod ziet.
3. In afwijking van het tweede lid kan de Minister het netto jaarresultaat, behaald uit de visserij op aal of wolhandkrab in het jaar 2013 of 2014, hanteren, indien:
a. uit de boekhouding van de aanvrager blijkt dat de opbrengst uit de visserij op aal of wolhandkrab in één van de betreffende jaren significant lager is dan hetgeen te verwachten is op grond van de opbrengsten van voorgaande jaren;
b. de aanvrager aannemelijk maakt dat deze lagere opbrengst verband houdt met omstandigheden die niet aan hem te wijten zijn, en
c. de aanvrager daartoe een verzoek indient.
4. Indien de aanvrager aannemelijk maakt dat de opbrengsten uit de visserij op aal of wolhandkrab zowel in 2013 als in 2014 als gevolg van omstandigheden als bedoeld in lid 3, onderdeel b, significant lager zijn geweest dan hetgeen onder normale omstandigheden te verwachten is, kan de Minister het netto jaarresultaat, behaald uit de visserij op aal of wolhandkrab in 2012, hanteren, indien van dat resultaat in de boekhouding van de aanvrager een melding wordt gemaakt en indien de aanvrager daartoe een verzoek indient.
5. De tegemoetkoming, bedoeld in het tweede lid, in voorkomend geval berekend met inachtneming van het derde of vierde lid, wordt vermeerderd met een bedrag dat gelijkstaat aan het gemiddelde netto jaarresultaat in de jaren 2013 en 2014, voor zover:
a. dat resultaat is verkregen uit de vangst van schubvis in de gebieden, bedoeld in artikel 28b van de Uitvoeringsregeling visserij;
b. schubvis ingevolge een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Visserijwet 1963, voor het vissen op aal of wolhandkrab door de aanvrager, mag worden behouden en verkocht, en
c. van dat jaarresultaat in de boekhouding van de aanvrager een melding wordt gemaakt.
6. Indien een aanvrager aannemelijk maakt dat de afschrijvingskosten in de jaren die als referentie worden gehanteerd, of in geval van toepassing van het derde of vierde lid, in het jaar dat als referentie wordt gehanteerd, significant hoger zijn dan de kosten die in het jaar 2015 redelijkerwijs hadden mogen worden verwacht, wordt het netto jaarresultaat vermeerderd met het verschil tussen in de boekhouding opgenomen afschrijving en de afschrijving die redelijkerwijs mag worden verwacht.
7. In voorkomend geval wordt het netto jaarresultaat verminderd met de tegemoetkoming die in het betreffende jaar voor de betreffende wateren is uitgekeerd op grond van
artikel 4:68 van de Regeling LNV-subsidies.
8. De te verlenen tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, en de overige steun die de aanvrager reeds heeft ontvangen op grond van de de-minimisverordening, bedraagt maximaal het bedrag aan de-minimis steun dat kan worden verstrekt op grond van de de-minimisverordening.