BWBR0037763
Geldig vanaf 26-03-2016
Artikel 3
Mandaterings- en volmachtbesluit College sanering zorginstellingen
1. Aan de directeur wordt de bevoegdheid verleend per casus 1 of meer gemachtigden uit de kring van toegelaten gemachtigden aan te wijzen, waarbij specifieke kennis en ervaring met betrekking tot het aan de orde zijnde onderwerp door hem worden afgewogen:
a. ten behoeve van de sanering als bedoeld in artikel 1, onder h 1 en h 3 van dit besluit;
b. ten behoeve van de vervreemding van onroerende zaken als bedoeld in artikel 1 onder h 2;
c. ten behoeve van het uitvoeren van taken op uitdrukkelijk verzoek van de minister of de staatssecretaris.
2. De directeur is bevoegd:
a. in geval van meer dan één aangewezen gemachtigde de onderlinge taakverdeling in overleg te regelen;
b. de gemachtigde decharge te verlenen indien een casus via besluitvorming van het College is afgerond.
3. Aan de directeur wordt de bevoegdheid verleend in spoedeisende gevallen te besluiten dat een beoogd gemachtigde reeds een aanvang maakt met zijn/haar werkzaamheden voordat besloten is tot aanwijzing van een gemachtigde.
4. Op grond van de ingeschatte complexiteit, aard en omvang van de casus kan door de directeur besloten worden dat aanwijzing van een gemachtigde niet noodzakelijk is. In dat geval wordt de voorbereiding van de besluitvorming door het College door een beleidsmedewerker ter hand genomen.
5. Bij afwezigheid of verhindering van de directeur wordt de bevoegdheid, bedoeld in de leden 1 tot en met 4, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, uitgeoefend door de financieel beleidsmedewerker.
a. ten behoeve van de sanering als bedoeld in artikel 1, onder h 1 en h 3 van dit besluit;
b. ten behoeve van de vervreemding van onroerende zaken als bedoeld in artikel 1 onder h 2;
c. ten behoeve van het uitvoeren van taken op uitdrukkelijk verzoek van de minister of de staatssecretaris.
2. De directeur is bevoegd:
a. in geval van meer dan één aangewezen gemachtigde de onderlinge taakverdeling in overleg te regelen;
b. de gemachtigde decharge te verlenen indien een casus via besluitvorming van het College is afgerond.
3. Aan de directeur wordt de bevoegdheid verleend in spoedeisende gevallen te besluiten dat een beoogd gemachtigde reeds een aanvang maakt met zijn/haar werkzaamheden voordat besloten is tot aanwijzing van een gemachtigde.
4. Op grond van de ingeschatte complexiteit, aard en omvang van de casus kan door de directeur besloten worden dat aanwijzing van een gemachtigde niet noodzakelijk is. In dat geval wordt de voorbereiding van de besluitvorming door het College door een beleidsmedewerker ter hand genomen.
5. Bij afwezigheid of verhindering van de directeur wordt de bevoegdheid, bedoeld in de leden 1 tot en met 4, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, uitgeoefend door de financieel beleidsmedewerker.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0037763
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl