BWBR0037717
Geldig vanaf 2020-12-01
Artikel 4a
Regeling scheepsrecyclinginrichtingen
1. De exploitant van een op basis van het Verdrag toegelaten scheepsrecyclinginrichting:
a. aanvaardt uitsluitend schepen die voldoen aan het Verdrag of aan de vereisten daarvan;
b. overlegt de toelatingsverklaring die aan hem is afgegeven op basis van voorschrift 16 van de bijlage bij het Verdrag indien daarom wordt verzocht door de scheepseigenaar die overweegt een schip te recyclen bij de inrichting;
c. meldt aan de Minister, voordat het recyclen van een schip aanvangt, dat het in elk opzicht klaar is om met het recyclen van het schip te beginnen als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van de Verordening;
d. stuurt de voltooiingsverklaring en het verslag, bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van de Verordening, aan de Minister.
2. De exploitant van een op basis van het Verdrag toegelaten scheepsrecyclinginrichting meldt aan de Minister incidenten of bij de inrichting getroffen maatregelen die er toe leiden dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toelating, bedoeld in voorschrift 16 van de bijlage bij het Verdrag.
3. Het eerste lid is slechts van toepassing voor wat betreft schepen waarop het Verdrag van toepassing is of ten aanzien van schepen die worden behandeld overeenkomstig artikel 3, vierde lid, van het Verdrag.
a. aanvaardt uitsluitend schepen die voldoen aan het Verdrag of aan de vereisten daarvan;
b. overlegt de toelatingsverklaring die aan hem is afgegeven op basis van voorschrift 16 van de bijlage bij het Verdrag indien daarom wordt verzocht door de scheepseigenaar die overweegt een schip te recyclen bij de inrichting;
c. meldt aan de Minister, voordat het recyclen van een schip aanvangt, dat het in elk opzicht klaar is om met het recyclen van het schip te beginnen als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van de Verordening;
d. stuurt de voltooiingsverklaring en het verslag, bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van de Verordening, aan de Minister.
2. De exploitant van een op basis van het Verdrag toegelaten scheepsrecyclinginrichting meldt aan de Minister incidenten of bij de inrichting getroffen maatregelen die er toe leiden dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toelating, bedoeld in voorschrift 16 van de bijlage bij het Verdrag.
3. Het eerste lid is slechts van toepassing voor wat betreft schepen waarop het Verdrag van toepassing is of ten aanzien van schepen die worden behandeld overeenkomstig artikel 3, vierde lid, van het Verdrag.