BWBR0037650
Geldig vanaf 2016-02-24
Artikel 24
Warenwetbesluit liften 2016
1. Degene die een lift voorhanden heeft, zorgt ervoor dat:
a. in liftschachten geen leidingen of installaties aanwezig zijn die niet voor de werking of veiligheid van de lift zijn vereist;
b. machinekamers, schijvenruimten en schachtputten niet worden gebruikt als bergruimte van voorwerpen, welke niet tot de lift behoren;
c. machinekamers, schijvenruimten en luiken, bestemd voor inspectie en onderhoud, zijn afgesloten met slot en sleutel;
d. de onder c bedoelde sleutels zijn voorzien van aanduidingen en op een uitsluitend voor bevoegden toegankelijke plaats worden bewaard; en
e. nabij de tornmiddelen een aanwijzing is opgehangen, waarin is aangegeven, op welke wijze de machine kan worden getornd.
2. Degene die een lift zonder kooiafsluiting voorhanden heeft, welke bestemd is voor het vervoer van goederen onder begeleiding van een persoon, zorgt ervoor dat die lift slechts wordt bediend door mensen die met die bediening vertrouwd zijn.
a. in liftschachten geen leidingen of installaties aanwezig zijn die niet voor de werking of veiligheid van de lift zijn vereist;
b. machinekamers, schijvenruimten en schachtputten niet worden gebruikt als bergruimte van voorwerpen, welke niet tot de lift behoren;
c. machinekamers, schijvenruimten en luiken, bestemd voor inspectie en onderhoud, zijn afgesloten met slot en sleutel;
d. de onder c bedoelde sleutels zijn voorzien van aanduidingen en op een uitsluitend voor bevoegden toegankelijke plaats worden bewaard; en
e. nabij de tornmiddelen een aanwijzing is opgehangen, waarin is aangegeven, op welke wijze de machine kan worden getornd.
2. Degene die een lift zonder kooiafsluiting voorhanden heeft, welke bestemd is voor het vervoer van goederen onder begeleiding van een persoon, zorgt ervoor dat die lift slechts wordt bediend door mensen die met die bediening vertrouwd zijn.