BWBR0037317
Geldig vanaf 2015-12-11
Artikel 4
Regeling omgevingsregime bijzondere spoorwegen
1. De afstanden, genoemd in de artikelen 2en 3, worden bij een spoorweg op maaiveldniveau gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor, zijnde een denkbeeldige lijn in de lengterichting van het spoor midden tussen beide spoorstaven.
2. De afstanden, genoemd in de artikelen 2en 3, worden in het geval van ingraving van de spoorweg gemeten uit de bovenzijde van de ingraving en in het geval van ophoging van de spoorweg gemeten uit de teen van het talud.
2. De afstanden, genoemd in de artikelen 2en 3, worden in het geval van ingraving van de spoorweg gemeten uit de bovenzijde van de ingraving en in het geval van ophoging van de spoorweg gemeten uit de teen van het talud.