BWBR0037162
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 36
Wet bestrijding maritieme ongevallen
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de ambtenaren die zijn aangewezen bij besluit van Onze Minister dan wel van het ingevolge artikel 14, tweede lid, bevoegde bestuursorgaan. Zij zijn tevens belast met het uitvoeren van maatregelen, genomen krachtens artikel 12, 13, 16of 18.
2. De krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren zijn bevoegd een schip te betreden voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde taken en met inachtneming van artikel 220 en afdeling 7 van Deel XII van het VN-Zeerechtverdrag.
3. Zij gebruiken zo nodig de hulp van de sterke arm voor het betreden van het schip en voor het aan boord uitvoeren van maatregelen, genomen ingevolge artikel 13, 16of 18.
4. Bij toepassing van het tweede lid legitimeren de daarin bedoelde ambtenaren zich desgevraagd en doen zij mededeling van het doel van het betreden van het schip.
5. De krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren kunnen zich bij toepassing van het tweede lid door bepaalde door hen aan te wijzen personen doen vergezellen.
2. De krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren zijn bevoegd een schip te betreden voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde taken en met inachtneming van artikel 220 en afdeling 7 van Deel XII van het VN-Zeerechtverdrag.
3. Zij gebruiken zo nodig de hulp van de sterke arm voor het betreden van het schip en voor het aan boord uitvoeren van maatregelen, genomen ingevolge artikel 13, 16of 18.
4. Bij toepassing van het tweede lid legitimeren de daarin bedoelde ambtenaren zich desgevraagd en doen zij mededeling van het doel van het betreden van het schip.
5. De krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren kunnen zich bij toepassing van het tweede lid door bepaalde door hen aan te wijzen personen doen vergezellen.