BWBR0036785
Geldig vanaf 2015-12-01
Artikel 5
Regeling windenergie op zee 2015
1. De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:
a. uit de financiële onderbouwing, bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel e, van het besluit blijkt dat de omvang van het eigen vermogen van de aanvrager kleiner is dan 10% van de totale investeringskosten voor de desbetreffende productie-installatie of, in geval van een gebundelde aanvraag, voor beide productie-installaties tezamen;
b. niet tijdig een aanvraag is ingediend als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet windenergie op zee;
c. de aanvraag niet voldoet aan de criteria, gesteld bij of krachtens artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, of tweede lid van de Wet windenergie op zee.
2. Indien de subsidie-aanvrager een samenwerkingsverband is, is de omvang van het eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gelijk aan de omvang van de eigen vermogens van de deelnemers aan het samenwerkingsverband tezamen. Indien de subsidie-aanvrager een dochteronderneming is, is de omvang van het eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gelijk aan de omvang van de eigen vermogens van de moederonderneming en de dochteronderneming tezamen.
a. uit de financiële onderbouwing, bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel e, van het besluit blijkt dat de omvang van het eigen vermogen van de aanvrager kleiner is dan 10% van de totale investeringskosten voor de desbetreffende productie-installatie of, in geval van een gebundelde aanvraag, voor beide productie-installaties tezamen;
b. niet tijdig een aanvraag is ingediend als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet windenergie op zee;
c. de aanvraag niet voldoet aan de criteria, gesteld bij of krachtens artikel 14, eerste lid, onderdeel d of f, of tweede lid van de Wet windenergie op zee.
2. Indien de subsidie-aanvrager een samenwerkingsverband is, is de omvang van het eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gelijk aan de omvang van de eigen vermogens van de deelnemers aan het samenwerkingsverband tezamen. Indien de subsidie-aanvrager een dochteronderneming is, is de omvang van het eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gelijk aan de omvang van de eigen vermogens van de moederonderneming en de dochteronderneming tezamen.