BWBR0036709
Geldig vanaf 2024-07-01
Artikel 19a
Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
1. Een verzoek waarbij een geschil als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de wet, aan de minister wordt voorgelegd, wordt door ten minste een van de bij het geschil betrokken partijen ondertekend en bevat ten minste:
a. de dagtekening;
b. de namen en adressen van de bij het geschil betrokken partijen;
c. een beschrijving van het geschilpunt en de positie van de betrokken partijen.
2. Degene die een verzoek als bedoeld in het eerste lid aan de minister voorlegt, verschaft voorts de bescheiden die voor de uitspraak van de minister nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Tot deze gegevens behoren in ieder geval:
a. de in de betreffende gemeente geldende woonvisie als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet;
b. het overzicht van de door de toegelaten instelling voorgenomen werkzaamheden, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de wet;
c. de bescheiden, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet;
d. een verslag van het overleg, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet;
e. een beschrijving van de inspanningen van de betrokken partijen om te komen tot afspraken over de uitvoering van de woonvisie van de gemeenten als bedoeld in artikel 44, eerste lid, en een beschrijving van de inspanningen die partijen hebben verricht om het geschil op te lossen, alvorens dat het de minister voor te leggen;
f. een bewijsstuk waaruit blijkt dat het verzoek is toegezonden aan de andere bij het geschil betrokken partijen.
3. De partij die het geschil ter behandeling voorlegt aan de minister, zendt het verzoek en de stukken terstond aan de andere bij het geschil betrokken partijen.
4. De minister zendt de stukken onverwijld door aan de commissie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van het besluit.
a. de dagtekening;
b. de namen en adressen van de bij het geschil betrokken partijen;
c. een beschrijving van het geschilpunt en de positie van de betrokken partijen.
2. Degene die een verzoek als bedoeld in het eerste lid aan de minister voorlegt, verschaft voorts de bescheiden die voor de uitspraak van de minister nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Tot deze gegevens behoren in ieder geval:
a. de in de betreffende gemeente geldende woonvisie als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet;
b. het overzicht van de door de toegelaten instelling voorgenomen werkzaamheden, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de wet;
c. de bescheiden, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet;
d. een verslag van het overleg, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet;
e. een beschrijving van de inspanningen van de betrokken partijen om te komen tot afspraken over de uitvoering van de woonvisie van de gemeenten als bedoeld in artikel 44, eerste lid, en een beschrijving van de inspanningen die partijen hebben verricht om het geschil op te lossen, alvorens dat het de minister voor te leggen;
f. een bewijsstuk waaruit blijkt dat het verzoek is toegezonden aan de andere bij het geschil betrokken partijen.
3. De partij die het geschil ter behandeling voorlegt aan de minister, zendt het verzoek en de stukken terstond aan de andere bij het geschil betrokken partijen.
4. De minister zendt de stukken onverwijld door aan de commissie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van het besluit.