BWBR0036584
Geldig vanaf 2015-05-07
Artikel 2
Instellingsbesluit Onderzoekscommissie Ontnemingsschikking
1. Er is een onafhankelijke Onderzoekscommissie Ontnemingsschikking.
2. De Commissie heeft tot taak, onderzoek te verrichten naar:
a) de schikkingsovereenkomst die is gesloten tussen het openbaar ministerie en Cees H. met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;
b) de informatie die over deze schikking al dan niet beschikbaar was of is geweest bij de opeenvolgende bewindslieden, het openbaar ministerie en het Ministerie van (Veiligheid en) Justitie, een en ander in de periode 1993–2015;
c) de informatieverstrekking aan de Tweede Kamer;
d) het op andere wijze omgaan met en het op enige wijze bekendheid geven aan informatie over de schikkingsovereenkomst of de afwikkeling daarvan.
3. De Commissie beoordeelt de totstandkoming van de schikkingsovereenkomst in de ruimste zin, de opbouw van het bedrag, de afwikkeling van de overeenkomst, de instemming en de informatiepositie van het College van procureurs-generaal en de afstemming met de Belastingdienst, een en ander in het licht van het destijds geldende wettelijke kader. De Commissie toetst de door haar geconstateerde gebeurtenissen ook aan het huidige wettelijke kader en de huidige praktijk.
4. De Commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan haar opdracht.
5. De Commissie is bevoegd, door tussenkomst van de Voorzitter van het College van procureurs-generaal de rijksrecherche te benaderen voor het doen van onderzoek.
6. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies kan de Commissie aanbevelingen doen, die mede betrekking kunnen hebben op het huidige wettelijke kader en de toepassing daarvan.
2. De Commissie heeft tot taak, onderzoek te verrichten naar:
a) de schikkingsovereenkomst die is gesloten tussen het openbaar ministerie en Cees H. met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;
b) de informatie die over deze schikking al dan niet beschikbaar was of is geweest bij de opeenvolgende bewindslieden, het openbaar ministerie en het Ministerie van (Veiligheid en) Justitie, een en ander in de periode 1993–2015;
c) de informatieverstrekking aan de Tweede Kamer;
d) het op andere wijze omgaan met en het op enige wijze bekendheid geven aan informatie over de schikkingsovereenkomst of de afwikkeling daarvan.
3. De Commissie beoordeelt de totstandkoming van de schikkingsovereenkomst in de ruimste zin, de opbouw van het bedrag, de afwikkeling van de overeenkomst, de instemming en de informatiepositie van het College van procureurs-generaal en de afstemming met de Belastingdienst, een en ander in het licht van het destijds geldende wettelijke kader. De Commissie toetst de door haar geconstateerde gebeurtenissen ook aan het huidige wettelijke kader en de huidige praktijk.
4. De Commissie is bevoegd gedurende het onderzoek aanvullende vragen te formuleren en deze te onderzoeken en beantwoorden, indien zij dat dienstig acht aan haar opdracht.
5. De Commissie is bevoegd, door tussenkomst van de Voorzitter van het College van procureurs-generaal de rijksrecherche te benaderen voor het doen van onderzoek.
6. Naar aanleiding van de bevindingen en conclusies kan de Commissie aanbevelingen doen, die mede betrekking kunnen hebben op het huidige wettelijke kader en de toepassing daarvan.