BWBR0036453
Geldig vanaf 2015-03-31
Artikel 5
Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2015
1. De inspecteur-generaal verleent degenen die de functie van hoofdinspecteur uitoefenen mandaat ten aanzien van aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie: het nemen van besluiten, en het afdoen en ondertekenen van stukken.
2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, behoren in elk geval alle aangelegenheden ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal mandaat heeft verleend aan degenen die de functie van directeur Toezicht respectievelijk inspecteur uitoefenen, voor zover deze aangelegenheden vallen binnen de portefeuille van de desbetreffende hoofdinspecteur.
3. De inspecteur-generaal verleent degenen die de functie van directeur Kennis en directeur Rekenschap en Juridische Zaken uitoefenen mandaat ten aanzien van aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie: het nemen van besluiten en het afdoen en ondertekenen van stukken.
4. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het derde lid, behoren voor wat betreft de directeur Rekenschap en Juridische zaken in elk geval alle aangelegenheden ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal mandaat heeft verleend aan degenen die de functie van auditor binnen de Directie Rekenschap en Juridische zaken uitoefenen.
5. De inspecteur-generaal verleent degenen die de functie van directeur Toezicht uitoefenen mandaat ten aanzien van aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie: het nemen van besluiten, en het afdoen en ondertekenen van stukken.
6. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het vijfde lid, behoren in elk geval alle aangelegenheden ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal mandaat heeft verleend aan degenen die de functie van inspecteur uitoefenen, voor zover deze aangelegenheden vallen binnen de portefeuille van de desbetreffende directeur Toezicht.
7. De inspecteur-generaal verleent degenen die de functie van inspecteur respectievelijk auditor uitoefenen mandaat ten aanzien van aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie: het afdoen en ondertekenen van stukken.
8. Tot de aangelegenheden, bedoeld het zevende lid, behoort voor de inspecteur in elk geval;
a. de bekrachtiging van de reguliere toezichthandelingen ten aanzien van de onderwijsinstellingen;
b. het nemen van besluiten op grond van de Wet op de expertisecentra;
9. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het zevende lid, behoort voor de auditor in elk geval de bekrachtiging van de reguliere toezichthandelingen op het gebied van financiële rechtmatigheid.
2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, behoren in elk geval alle aangelegenheden ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal mandaat heeft verleend aan degenen die de functie van directeur Toezicht respectievelijk inspecteur uitoefenen, voor zover deze aangelegenheden vallen binnen de portefeuille van de desbetreffende hoofdinspecteur.
3. De inspecteur-generaal verleent degenen die de functie van directeur Kennis en directeur Rekenschap en Juridische Zaken uitoefenen mandaat ten aanzien van aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie: het nemen van besluiten en het afdoen en ondertekenen van stukken.
4. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het derde lid, behoren voor wat betreft de directeur Rekenschap en Juridische zaken in elk geval alle aangelegenheden ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal mandaat heeft verleend aan degenen die de functie van auditor binnen de Directie Rekenschap en Juridische zaken uitoefenen.
5. De inspecteur-generaal verleent degenen die de functie van directeur Toezicht uitoefenen mandaat ten aanzien van aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie: het nemen van besluiten, en het afdoen en ondertekenen van stukken.
6. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het vijfde lid, behoren in elk geval alle aangelegenheden ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal mandaat heeft verleend aan degenen die de functie van inspecteur uitoefenen, voor zover deze aangelegenheden vallen binnen de portefeuille van de desbetreffende directeur Toezicht.
7. De inspecteur-generaal verleent degenen die de functie van inspecteur respectievelijk auditor uitoefenen mandaat ten aanzien van aangelegenheden voortvloeiend uit hun functie: het afdoen en ondertekenen van stukken.
8. Tot de aangelegenheden, bedoeld het zevende lid, behoort voor de inspecteur in elk geval;
a. de bekrachtiging van de reguliere toezichthandelingen ten aanzien van de onderwijsinstellingen;
b. het nemen van besluiten op grond van de Wet op de expertisecentra;
9. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het zevende lid, behoort voor de auditor in elk geval de bekrachtiging van de reguliere toezichthandelingen op het gebied van financiële rechtmatigheid.