BWBR0036378
Geldig vanaf 2023-10-20
Artikel 3a
Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning en zonder meldingsplicht 2015
1. Voor het gebruik van radioapparaten aan boord van andere dan schepen die op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren, als bedoeld in artikel 10.15, tweede lid, onderdeel d, van de wet, met uitzondering van maritiem mobiele communicatie vanaf het land, zijn de artikelen 7, aanhef en onderdeel b, 8, eerste lid, onderdelen c en d, en 9 van de Regeling gebruik van frequentieruimte met meldingsplicht 2015van overeenkomstige toepassing.
2. Voor het gebruik van radioapparaten door niet-ingezeten van Nederland die tijdelijk hier te lande verblijven, als bedoeld in artikel 10.15, tweede lid, onderdeel e, van de wet, zijn de artikelen 7, aanhef en onderdeel a, 8, eerste lid, onderdelen b en c, en 10, eerste en tweede lid, van de Regeling gebruik van frequentieruimte met meldingsplicht 2015van overeenkomstige toepassing.
3. Voor het gebruik van radioapparaten als bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt dat er bij het radioapparaat een gebruikerslicentie aanwezig is als bedoeld in artikel 18.1 van het Radioreglement.
4. Voor het gebruik van radioapparaten als bedoeld in het eerste lid, geldt dat er bij het radioapparaat een certificaat van bediening aanwezig is conform artikel 49 van het Radioreglement. Dit certificaat van bediening staat op naam van degene die het radioapparaat bedient. Hiervan kan alleen worden afgeweken indien een niet-certificaathouder het radioapparaat bedient en deze in directe aanwezigheid en onder verantwoordelijkheid van de certificaathouder staat.
2. Voor het gebruik van radioapparaten door niet-ingezeten van Nederland die tijdelijk hier te lande verblijven, als bedoeld in artikel 10.15, tweede lid, onderdeel e, van de wet, zijn de artikelen 7, aanhef en onderdeel a, 8, eerste lid, onderdelen b en c, en 10, eerste en tweede lid, van de Regeling gebruik van frequentieruimte met meldingsplicht 2015van overeenkomstige toepassing.
3. Voor het gebruik van radioapparaten als bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt dat er bij het radioapparaat een gebruikerslicentie aanwezig is als bedoeld in artikel 18.1 van het Radioreglement.
4. Voor het gebruik van radioapparaten als bedoeld in het eerste lid, geldt dat er bij het radioapparaat een certificaat van bediening aanwezig is conform artikel 49 van het Radioreglement. Dit certificaat van bediening staat op naam van degene die het radioapparaat bedient. Hiervan kan alleen worden afgeweken indien een niet-certificaathouder het radioapparaat bedient en deze in directe aanwezigheid en onder verantwoordelijkheid van de certificaathouder staat.