BWBR0036265
Geldig vanaf 2015-02-14
Artikel 6
Regeling bekostiging regionale procesbegeleider leerlingendaling PO en VO
1. De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen op basis van de volgende criteria:
a. het percentage leerlingendaling op de scholen van de gezamenlijk aanvragende schoolbesturen die staan, of waarvan minimaal één nevenvestiging of tijdelijke nevenvestiging voortgezet onderwijs staat, in de regio waarvoor de bijdrage wordt aangevraagd, gemeten over een periode van tien kalenderjaren waarbinnen het aanvraagmoment valt,
b. het aantal gezamenlijk aanvragende schoolbesturen,
c. het aantal leerlingen dat per 1 oktober 2015 staat ingeschreven op de scholen, de nevenvestigingen voortgezet onderwijs en tijdelijke nevenvestigingen voortgezet onderwijs van de gezamenlijk aanvragende schoolbesturen die zijn gevestigd in de regio waarvoor de bijdrage wordt aangevraagd,
d. het aantal gemeenten in de regio waarmee is overlegd over de aanvraag tot bijzondere en aanvullende bekostiging,
e. de gebiedsoppervlakte van de regio waarvoor de aanvraag wordt gedaan, gemeten in aantal km2, ontleend aan CBS-gegevens per 1 januari 2016.
2. Per criterium wordt een rangorde aangebracht tussen de aanvragen, waarbij criterium a zwaarder meeweegt dan criteria b tot en met e. Vervolgens wordt per aanvraag het gemiddelde berekend van de rangorde-posities per criterium. Dit bepaalt de plaats van de aanvraag op de totale rangorde van aanvragen.
3. In het geval dat in de regio waarop de opdracht betrekking heeft niet alle nevenvestigingen en tijdelijke nevenvestigingen van een school voor voortgezet onderwijs staan, wordt voor de berekening van criterium a gebruik gemaakt van het percentage leerlingendaling van die hele school.
a. het percentage leerlingendaling op de scholen van de gezamenlijk aanvragende schoolbesturen die staan, of waarvan minimaal één nevenvestiging of tijdelijke nevenvestiging voortgezet onderwijs staat, in de regio waarvoor de bijdrage wordt aangevraagd, gemeten over een periode van tien kalenderjaren waarbinnen het aanvraagmoment valt,
b. het aantal gezamenlijk aanvragende schoolbesturen,
c. het aantal leerlingen dat per 1 oktober 2015 staat ingeschreven op de scholen, de nevenvestigingen voortgezet onderwijs en tijdelijke nevenvestigingen voortgezet onderwijs van de gezamenlijk aanvragende schoolbesturen die zijn gevestigd in de regio waarvoor de bijdrage wordt aangevraagd,
d. het aantal gemeenten in de regio waarmee is overlegd over de aanvraag tot bijzondere en aanvullende bekostiging,
e. de gebiedsoppervlakte van de regio waarvoor de aanvraag wordt gedaan, gemeten in aantal km2, ontleend aan CBS-gegevens per 1 januari 2016.
2. Per criterium wordt een rangorde aangebracht tussen de aanvragen, waarbij criterium a zwaarder meeweegt dan criteria b tot en met e. Vervolgens wordt per aanvraag het gemiddelde berekend van de rangorde-posities per criterium. Dit bepaalt de plaats van de aanvraag op de totale rangorde van aanvragen.
3. In het geval dat in de regio waarop de opdracht betrekking heeft niet alle nevenvestigingen en tijdelijke nevenvestigingen van een school voor voortgezet onderwijs staan, wordt voor de berekening van criterium a gebruik gemaakt van het percentage leerlingendaling van die hele school.