BWBR0036145
Geldig vanaf 2015-01-07
Artikel 2
Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging inspecteur-generaal der mijnen 2015
Aan de inspecteur-generaal is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden:
a. onderwerpen waarover in het MT-SodM geen overeenstemming is;
b. onderwerpen, die een of meer afdelingen van zijn dienstonderdeel raken, tenzij daarover tussen de betrokken afdelingshoofden overeenstemming bestaat;
c. aangelegenheden: 1°. ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of
2°. die door een afdelingshoofd aan de inspecteur-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de inspecteur-generaal door een ander afdelingshoofd moeten worden afgehandeld.
1°. ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of
2°. die door een afdelingshoofd aan de inspecteur-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de inspecteur-generaal door een ander afdelingshoofd moeten worden afgehandeld.
a. onderwerpen waarover in het MT-SodM geen overeenstemming is;
b. onderwerpen, die een of meer afdelingen van zijn dienstonderdeel raken, tenzij daarover tussen de betrokken afdelingshoofden overeenstemming bestaat;
c. aangelegenheden: 1°. ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of
2°. die door een afdelingshoofd aan de inspecteur-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de inspecteur-generaal door een ander afdelingshoofd moeten worden afgehandeld.
1°. ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of
2°. die door een afdelingshoofd aan de inspecteur-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de inspecteur-generaal door een ander afdelingshoofd moeten worden afgehandeld.