BWBR0036106
Geldig vanaf 2015-01-01
Artikel 4
Uitvoeringsregeling diergezondheidsheffing
1. De heffingplichtige wordt na afloop van het kalenderjaar waarover de heffing verschuldigd is uitgenodigd voor het doen van aangifte.
2. De heffingplichtige die niet binnen vier maanden na afloop van het tijdvak waarover de diergezondheidsheffing wordt geheven, is uitgenodigd tot het doen van aangifte, verzoekt de inspecteur om een uitnodiging tot het doen van aangifte.
3. Het in het tweede lid bedoelde verzoek wordt ingediend binnen twee weken na het verstrijken van de in dat lid bedoelde termijn van vier maanden.
4. Het tweede lid is niet van toepassing indien over het tijdvak waarover de diergezondheidsheffing is verschuldigd reeds een aanslag is opgelegd.
5. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt mede voor de in de artikelen 43en 44, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingenbedoelde personen.
2. De heffingplichtige die niet binnen vier maanden na afloop van het tijdvak waarover de diergezondheidsheffing wordt geheven, is uitgenodigd tot het doen van aangifte, verzoekt de inspecteur om een uitnodiging tot het doen van aangifte.
3. Het in het tweede lid bedoelde verzoek wordt ingediend binnen twee weken na het verstrijken van de in dat lid bedoelde termijn van vier maanden.
4. Het tweede lid is niet van toepassing indien over het tijdvak waarover de diergezondheidsheffing is verschuldigd reeds een aanslag is opgelegd.
5. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt mede voor de in de artikelen 43en 44, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingenbedoelde personen.