BWBR0036083
Geldig vanaf 2015-01-01
Artikel XLVIII
Wet opheffing bedrijfslichamen
1. De tuchtgerechten van de bedrijfslichamen blijven in functie voor de afhandeling van, en voor de duur van, zaken die overtredingen betreffen waarvoor een berechtingsrapport is opgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet.
2. Op de tuchtgerechten van de bedrijfslichamen, de behandeling van zaken als bedoeld in het eerste lid en het hoger beroep tegen uitspraken van de tuchtgerechten van bedrijfslichamen in zaken als bedoeld in het eerste lid, is met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel Xvan deze wet de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004van toepassing zoals die wet luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip dat die wet werd ingetrokken, met dien verstande dat voor de toepassing van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 in die gevallen:
a. in plaats van «de voorzitter van het bedrijfslichaam die de vordering aanhangig heeft gemaakt» wordt gelezen: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. in plaats van «het bedrijfslichaam» wordt gelezen: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
c. in plaats van «het bestuur van het betrokken bedrijfslichaam» wordt gelezen: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
d. in plaats van «het betrokken bedrijfslichaam» wordt gelezen: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
e. in plaats van «de voorzitter van het bedrijfslichaam» wordt gelezen: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
2. Op de tuchtgerechten van de bedrijfslichamen, de behandeling van zaken als bedoeld in het eerste lid en het hoger beroep tegen uitspraken van de tuchtgerechten van bedrijfslichamen in zaken als bedoeld in het eerste lid, is met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel Xvan deze wet de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004van toepassing zoals die wet luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip dat die wet werd ingetrokken, met dien verstande dat voor de toepassing van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 in die gevallen:
a. in plaats van «de voorzitter van het bedrijfslichaam die de vordering aanhangig heeft gemaakt» wordt gelezen: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. in plaats van «het bedrijfslichaam» wordt gelezen: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
c. in plaats van «het bestuur van het betrokken bedrijfslichaam» wordt gelezen: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
d. in plaats van «het betrokken bedrijfslichaam» wordt gelezen: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
e. in plaats van «de voorzitter van het bedrijfslichaam» wordt gelezen: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.