BWBR0035958
Geldig vanaf 21-12-2014
Artikel 6
Besluit verlening mandaat, volmacht en machtiging personele aangelegenheden Kadaster 2014
1. Een directeur is bevoegd aan functionarissen die rechtstreeks onder hem ressorteren, een algemeen ondermandaat, algemene ondervolmacht en algemene ondermachtiging te verlenen ten aanzien van bevoegdheden die aan hem zijn verleend op grond van artikel 2, eerste, tweede, vierde en vijfde lid. De directeur is tevens bevoegd aan functionarissen die rechtstreeks onder een hoofd van zijn afdeling ressorteren ondermandaat te verlenen ten aanzien van de bevoegdheid een verslag-formulier vast te stellen op grond van de Regeling terugkijken, afspraken maken en ontwikkelen uitsluitend voor zover het gaat om personeelsleden van hun eigen afdelingsonderdeel.
2. De uitoefening van de in het eerste lid genoemde bevoegdheid geschiedt met inachtneming van de door het bestuur gegeven aanwijzingen.
3. Een directeur kan aan de in het eerste lid genoemde functionarissen met betrekking tot de uitoefening van het ondermandaat, de ondervolmacht en de ondermachtiging algemene en bijzondere aanwijzingen geven.
4. De directeur is gehouden toe te zien op de naleving van dit besluit en van de algemene en bijzondere aanwijzingen, bedoeld in artikel 5 en het derde lid van dit artikel, door degene aan wie hij ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging heeft verleend.
5. Een directeur die verleent, doet dit schriftelijk. Hij draagt zorg voor bekendmaking van het verlenen van ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging door publicatie in de Staatscourant.
6. De directeur kan een register aanleggen met betrekking tot door hem verleende ondermandaten, ondervolmachten en ondermachtigingen.
2. De uitoefening van de in het eerste lid genoemde bevoegdheid geschiedt met inachtneming van de door het bestuur gegeven aanwijzingen.
3. Een directeur kan aan de in het eerste lid genoemde functionarissen met betrekking tot de uitoefening van het ondermandaat, de ondervolmacht en de ondermachtiging algemene en bijzondere aanwijzingen geven.
4. De directeur is gehouden toe te zien op de naleving van dit besluit en van de algemene en bijzondere aanwijzingen, bedoeld in artikel 5 en het derde lid van dit artikel, door degene aan wie hij ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging heeft verleend.
5. Een directeur die verleent, doet dit schriftelijk. Hij draagt zorg voor bekendmaking van het verlenen van ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging door publicatie in de Staatscourant.
6. De directeur kan een register aanleggen met betrekking tot door hem verleende ondermandaten, ondervolmachten en ondermachtigingen.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0035958
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl