BWBR0035364
Geldig vanaf 2014-07-19
Artikel 2
Instellingsbesluit evaluatiecommissie Tuitjenhorn
1. Er is een Evaluatiecommissie Tuitjenhorn, hierna te noemen: de commisie.
2. De commissie heeft tot taak de handelwijze in de casus Tuitjenhorn te evalueren van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, het Openbaar Ministerie, de politie, het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, de Landelijke Huisartsen Vereniging, de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst en andere organisaties die betrokken zijn bij de casus Tuitjenhorn. De evaluatie heeft tot doel te bezien of voor de toekomst geleerd kan worden van de wijze waarop gehandeld is in deze casus, met het oog op de impact van gebeurtenissen als deze voor de medische wereld en de samenleving.
3. Ter uitvoering van haar taak:
a. beschrijft de commissie het feitelijk handelen van de organisaties, bedoeld in het tweede lid;
b. evalueert de commissie of dit handelen binnen de daarvoor geldende kaders valt;
c. beziet de commissie of, gegeven de geldende kaders, op andere wijze gehandeld had kunnen worden;
d. analyseert de commissie hoe de communicatie tussen de organisaties onderling en van de organisaties met derden in de verschillende fasen in de tijd heeft plaatsgevonden.
4. Bij de uitvoering van haar taak houdt de commissie waar nodig rekening met juridische procedures waarbij een organisatie, bedoeld in het tweede lid, betrokken kan zijn.
5. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.
6. De commissie rapporteert uiterlijk 31 maart 2015 over haar werkzaamheden aan de ministers.
7. Na het uitbrengen van het rapport is de commissie ontbonden.
2. De commissie heeft tot taak de handelwijze in de casus Tuitjenhorn te evalueren van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, het Openbaar Ministerie, de politie, het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, de Landelijke Huisartsen Vereniging, de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst en andere organisaties die betrokken zijn bij de casus Tuitjenhorn. De evaluatie heeft tot doel te bezien of voor de toekomst geleerd kan worden van de wijze waarop gehandeld is in deze casus, met het oog op de impact van gebeurtenissen als deze voor de medische wereld en de samenleving.
3. Ter uitvoering van haar taak:
a. beschrijft de commissie het feitelijk handelen van de organisaties, bedoeld in het tweede lid;
b. evalueert de commissie of dit handelen binnen de daarvoor geldende kaders valt;
c. beziet de commissie of, gegeven de geldende kaders, op andere wijze gehandeld had kunnen worden;
d. analyseert de commissie hoe de communicatie tussen de organisaties onderling en van de organisaties met derden in de verschillende fasen in de tijd heeft plaatsgevonden.
4. Bij de uitvoering van haar taak houdt de commissie waar nodig rekening met juridische procedures waarbij een organisatie, bedoeld in het tweede lid, betrokken kan zijn.
5. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.
6. De commissie rapporteert uiterlijk 31 maart 2015 over haar werkzaamheden aan de ministers.
7. Na het uitbrengen van het rapport is de commissie ontbonden.