BWBR0035329
Geldig vanaf 2014-08-01
Artikel 4
Beleidsregel clementie
1. De ACM zegt een clementieverzoeker boete-immuniteit toe indien:
a. hij als eerste met betrekking tot een kartel een verzoek tot boete-immuniteit indient,
b. het verzoek betrekking heeft op een kartel waarnaar de ACM nog geen onderzoek is begonnen,
c. hij met het verzoek de ACM informatie verschaft die de ACM in staat stelt om een gerichte inspectie uit te voeren,
d. hij geen andere onderneming tot deelname aan het kartel heeft gedwongen, en
e. hij aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 17, voldoet.
2. De ACM zegt een clementieverzoeker voorts boete-immuniteit toe indien voldaan is aan het eerste lid, onderdelen a, d en e, en:
a. het verzoek betrekking heeft op een kartel waarnaar de ACM een onderzoek is begonnen, maar waarbij zij aan geen van de betrokkenen bij het kartel een rapport als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de wet heeft verzonden, en
b. het verzoek de ACM documenten verschaft die stammen uit de periode van de gedraging waarover zij nog niet beschikte en op basis waarvan de zij het bestaan van het kartel kan aantonen.
3. Een onderzoek begint vanaf het tijdstip dat de ACM haar eerste vermoeden van een kartel intern schriftelijk heeft vastgelegd.
a. hij als eerste met betrekking tot een kartel een verzoek tot boete-immuniteit indient,
b. het verzoek betrekking heeft op een kartel waarnaar de ACM nog geen onderzoek is begonnen,
c. hij met het verzoek de ACM informatie verschaft die de ACM in staat stelt om een gerichte inspectie uit te voeren,
d. hij geen andere onderneming tot deelname aan het kartel heeft gedwongen, en
e. hij aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 17, voldoet.
2. De ACM zegt een clementieverzoeker voorts boete-immuniteit toe indien voldaan is aan het eerste lid, onderdelen a, d en e, en:
a. het verzoek betrekking heeft op een kartel waarnaar de ACM een onderzoek is begonnen, maar waarbij zij aan geen van de betrokkenen bij het kartel een rapport als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de wet heeft verzonden, en
b. het verzoek de ACM documenten verschaft die stammen uit de periode van de gedraging waarover zij nog niet beschikte en op basis waarvan de zij het bestaan van het kartel kan aantonen.
3. Een onderzoek begint vanaf het tijdstip dat de ACM haar eerste vermoeden van een kartel intern schriftelijk heeft vastgelegd.