BWBR0035274
Geldig vanaf 02-07-2014
Artikel 2
Beleidsregels integriteitsbeoordeling exploitatievergunningen 2014
1. Alle aanvragen worden door de Ksa onderworpen aan een integriteitsbeoordeling.
2. Een verleende exploitatievergunning kan door de Ksa onderworpen worden aan een integriteitsbeoordeling indien:
a. aannemelijk is dat vergunninghouder handelt of de afgelopen vijf jaar heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet op de Kansspelen, de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Wet Wapens en Munitie of een verordening als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet dan wel tegen hem is opgetreden ter handhaving van het bij of krachtens genoemde wettelijke voorschriften bepaalde;
b. binnen een periode van twee jaar bij een significant deel van de locaties waar een speelautomaat van vergunninghouder opgesteld staat, geconstateerd wordt dat: 1. het aannemelijk is dat de uitbater van die locatie handelt of binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de constatering heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet op de Kansspelen, de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Wet Wapens en Munitie of een verordening als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet, of,
2. ten aanzien van bedoelde locatie of de uitbater daarvan binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de constatering een besluit is genomen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de Kansspelen, de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Wet Wapens en Munitie of een verordening als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet;
1. het aannemelijk is dat de uitbater van die locatie handelt of binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de constatering heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet op de Kansspelen, de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Wet Wapens en Munitie of een verordening als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet, of,
2. ten aanzien van bedoelde locatie of de uitbater daarvan binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de constatering een besluit is genomen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de Kansspelen, de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Wet Wapens en Munitie of een verordening als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet;
c. één of meer van de volgende omstandigheden zich voordoen: 1. de vergunninghouder heeft voor het tweede achtereenvolgende jaar niet tijdig de opstelgegevens inzake zijn speelautomaten ingediend;
2. een vergunninghouder heeft langer dan 1 jaar geen speelautomaten opgesteld;
3. een vergunninghouder die minder dan 3 jaar speelautomaten exploiteert groeit sneller dan op basis van de, al dan niet lokale of regionale, ontwikkeling van de branche mag worden verwacht;
4. een vergunninghouder heeft voor het tweede achtereenvolgende jaar niet tijdig de door hem verschuldigde kansspelheffing betaald;
1. de vergunninghouder heeft voor het tweede achtereenvolgende jaar niet tijdig de opstelgegevens inzake zijn speelautomaten ingediend;
2. een vergunninghouder heeft langer dan 1 jaar geen speelautomaten opgesteld;
3. een vergunninghouder die minder dan 3 jaar speelautomaten exploiteert groeit sneller dan op basis van de, al dan niet lokale of regionale, ontwikkeling van de branche mag worden verwacht;
4. een vergunninghouder heeft voor het tweede achtereenvolgende jaar niet tijdig de door hem verschuldigde kansspelheffing betaald;
d. dat bij wijze van steekproef gebeurt. De Ksa kan een steekproef zodanig inrichten dat een vergunninghouder een grotere kans heeft om aan een integriteitsbeoordeling onderworpen te worden, indien ten tijde van vergunningverlening of ten tijde van een eerdere periodieke integriteitsbeoordeling is vastgesteld dat zijn beheerders of leidinggevenden blijkens de door de Justitiële Informatiedienst op grond van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke Gegevens verstrekte uittreksels betrokken waren bij strafbare feiten.
3. Een verleende exploitatievergunning kan tevens onderworpen worden aan een integriteitsbeoordeling indien:
a. bij navraag door de Ksa bij Bureau Bibob blijkt dat ten aanzien van betrokkene in de achterliggende periode van twee kalenderjaren een ernstige mate van gevaar of een mindere mate van gevaar is vastgesteld;
b. blijkt dat ten aanzien van betrokkene door een ander bestuursorgaan geconstateerd is dat sprake is van ernstig gevaar of mindere mate van gevaar;
c. het naar aanleiding van verkregen informatie voor de hand ligt om te onderzoeken of sprake is van ernstig gevaar of mindere mate van gevaar; of,
d. sprake is van een bijzonder geval waarbij aanleiding bestaat voor het vermoeden dat de exploitatievergunning mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen.
2. Een verleende exploitatievergunning kan door de Ksa onderworpen worden aan een integriteitsbeoordeling indien:
a. aannemelijk is dat vergunninghouder handelt of de afgelopen vijf jaar heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet op de Kansspelen, de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Wet Wapens en Munitie of een verordening als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet dan wel tegen hem is opgetreden ter handhaving van het bij of krachtens genoemde wettelijke voorschriften bepaalde;
b. binnen een periode van twee jaar bij een significant deel van de locaties waar een speelautomaat van vergunninghouder opgesteld staat, geconstateerd wordt dat: 1. het aannemelijk is dat de uitbater van die locatie handelt of binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de constatering heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet op de Kansspelen, de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Wet Wapens en Munitie of een verordening als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet, of,
2. ten aanzien van bedoelde locatie of de uitbater daarvan binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de constatering een besluit is genomen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de Kansspelen, de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Wet Wapens en Munitie of een verordening als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet;
1. het aannemelijk is dat de uitbater van die locatie handelt of binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de constatering heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet op de Kansspelen, de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Wet Wapens en Munitie of een verordening als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet, of,
2. ten aanzien van bedoelde locatie of de uitbater daarvan binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de constatering een besluit is genomen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de Kansspelen, de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Wet Wapens en Munitie of een verordening als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet;
c. één of meer van de volgende omstandigheden zich voordoen: 1. de vergunninghouder heeft voor het tweede achtereenvolgende jaar niet tijdig de opstelgegevens inzake zijn speelautomaten ingediend;
2. een vergunninghouder heeft langer dan 1 jaar geen speelautomaten opgesteld;
3. een vergunninghouder die minder dan 3 jaar speelautomaten exploiteert groeit sneller dan op basis van de, al dan niet lokale of regionale, ontwikkeling van de branche mag worden verwacht;
4. een vergunninghouder heeft voor het tweede achtereenvolgende jaar niet tijdig de door hem verschuldigde kansspelheffing betaald;
1. de vergunninghouder heeft voor het tweede achtereenvolgende jaar niet tijdig de opstelgegevens inzake zijn speelautomaten ingediend;
2. een vergunninghouder heeft langer dan 1 jaar geen speelautomaten opgesteld;
3. een vergunninghouder die minder dan 3 jaar speelautomaten exploiteert groeit sneller dan op basis van de, al dan niet lokale of regionale, ontwikkeling van de branche mag worden verwacht;
4. een vergunninghouder heeft voor het tweede achtereenvolgende jaar niet tijdig de door hem verschuldigde kansspelheffing betaald;
d. dat bij wijze van steekproef gebeurt. De Ksa kan een steekproef zodanig inrichten dat een vergunninghouder een grotere kans heeft om aan een integriteitsbeoordeling onderworpen te worden, indien ten tijde van vergunningverlening of ten tijde van een eerdere periodieke integriteitsbeoordeling is vastgesteld dat zijn beheerders of leidinggevenden blijkens de door de Justitiële Informatiedienst op grond van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke Gegevens verstrekte uittreksels betrokken waren bij strafbare feiten.
3. Een verleende exploitatievergunning kan tevens onderworpen worden aan een integriteitsbeoordeling indien:
a. bij navraag door de Ksa bij Bureau Bibob blijkt dat ten aanzien van betrokkene in de achterliggende periode van twee kalenderjaren een ernstige mate van gevaar of een mindere mate van gevaar is vastgesteld;
b. blijkt dat ten aanzien van betrokkene door een ander bestuursorgaan geconstateerd is dat sprake is van ernstig gevaar of mindere mate van gevaar;
c. het naar aanleiding van verkregen informatie voor de hand ligt om te onderzoeken of sprake is van ernstig gevaar of mindere mate van gevaar; of,
d. sprake is van een bijzonder geval waarbij aanleiding bestaat voor het vermoeden dat de exploitatievergunning mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen.
- Citeren als
- Art. 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0035274
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl