BWBR0035091
Geldig vanaf 2014-07-01
Artikel 3.6
Besluit diergeneeskundigen
1. Onze Minister laat tot het beroepsmatig verrichten van de in het tweede lid bedoelde diergeneeskundige handelingen toe, degene die beschikt over een krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijsvastgestelde kwalificatie van embryotransplanteur of embryotransplanteur/-winner, dan wel onderdelen van de kwalificatie waaraan een certificaat is verbonden.
2. De handelingen, bedoeld in het eerste lid zijn:
a. handelingen met betrekking tot het winnen en overzetten van embryo’s of eicellen bij dieren;
b. het verrichten van een lichamelijke ingreep bij het toepassen van een diergeneesmiddel, waaronder begrepen het verrichten van een lichamelijke ingreep, indien die ingreep onderdeel uitmaakt van de voor dat diergeneesmiddel voorgeschreven toedieningswijze, voor zover deze handeling niet krachtens een ander wettelijk voorschrift aan anderen is voorbehouden.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de onderwerpen waarop de kwalificatie, bedoeld in het eerste lid, ten minste betrekking heeft;
b. de onderdelen van de kwalificatie, bedoeld in het eerste lid, die ten minste zijn behaald teneinde te worden toegelaten;
c. voorwaarden waaraan is voldaan teneinde de kwalificatie of onderdelen van de kwalificatie, bedoeld in het eerste lid, te kunnen behalen.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop handelingen als bedoeld in het tweede lid worden verricht.
2. De handelingen, bedoeld in het eerste lid zijn:
a. handelingen met betrekking tot het winnen en overzetten van embryo’s of eicellen bij dieren;
b. het verrichten van een lichamelijke ingreep bij het toepassen van een diergeneesmiddel, waaronder begrepen het verrichten van een lichamelijke ingreep, indien die ingreep onderdeel uitmaakt van de voor dat diergeneesmiddel voorgeschreven toedieningswijze, voor zover deze handeling niet krachtens een ander wettelijk voorschrift aan anderen is voorbehouden.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de onderwerpen waarop de kwalificatie, bedoeld in het eerste lid, ten minste betrekking heeft;
b. de onderdelen van de kwalificatie, bedoeld in het eerste lid, die ten minste zijn behaald teneinde te worden toegelaten;
c. voorwaarden waaraan is voldaan teneinde de kwalificatie of onderdelen van de kwalificatie, bedoeld in het eerste lid, te kunnen behalen.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop handelingen als bedoeld in het tweede lid worden verricht.