BWBR0034883
Geldig vanaf 2014-12-08
Artikel 3
Regeling beperking of verbod uitoefening burgerluchtverkeer in bepaalde gebieden 2014
1. Het verbod, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a(gebied EHP 25), is niet van toepassing op:
a. luchtvaartuigen van de Dienst Infrastructuur van de Landelijke eenheid;
b. luchtvaartuigen die worden gebruikt ten behoeve van het vervoer van leden van het Koninklijk Huis, staatshoofden en ministers;
c. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties, en
d. burgerluchtvaartuigen die ontheffing hebben gekregen van de Minister van Infrastructuur en Milieu.
2. Het verbod, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen b(gebied EHP 26) en c (gebied EHP 26A), is niet van toepassing op:
a. luchtvaartuigen van de Dienst Infrastructuur van de Landelijke eenheid;
b. luchtvaartuigen die worden gebruikt ten behoeve van het vervoer van leden van het Koninklijk Huis, staatshoofden en ministers;
c. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties;
d. ambulancevluchten voor het Medisch Centrum Haaglanden Westeinde in Den Haag, en
e. burgerluchtvaartuigen die ontheffing hebben gekregen van de Minister van Infrastructuur en Milieu.
3. Het verbod, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel d(gebied EHR 3), is niet van toepassing op:
a. luchtvaartuigen van de Dienst Infrastructuur van de Landelijke eenheid, en
b. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties.
4. Van het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, en tweede tot en met vierde lid, kan ontheffing worden verleend door de autoriteiten, genoemd in artikel 5, eerste lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
a. luchtvaartuigen van de Dienst Infrastructuur van de Landelijke eenheid;
b. luchtvaartuigen die worden gebruikt ten behoeve van het vervoer van leden van het Koninklijk Huis, staatshoofden en ministers;
c. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties, en
d. burgerluchtvaartuigen die ontheffing hebben gekregen van de Minister van Infrastructuur en Milieu.
2. Het verbod, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen b(gebied EHP 26) en c (gebied EHP 26A), is niet van toepassing op:
a. luchtvaartuigen van de Dienst Infrastructuur van de Landelijke eenheid;
b. luchtvaartuigen die worden gebruikt ten behoeve van het vervoer van leden van het Koninklijk Huis, staatshoofden en ministers;
c. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties;
d. ambulancevluchten voor het Medisch Centrum Haaglanden Westeinde in Den Haag, en
e. burgerluchtvaartuigen die ontheffing hebben gekregen van de Minister van Infrastructuur en Milieu.
3. Het verbod, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel d(gebied EHR 3), is niet van toepassing op:
a. luchtvaartuigen van de Dienst Infrastructuur van de Landelijke eenheid, en
b. helikopters die worden gebruikt voor spoedeisende hulpverlening door traumateams en het vervoer van slachtoffers of voor zoek- en reddingsacties.
4. Van het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, en tweede tot en met vierde lid, kan ontheffing worden verleend door de autoriteiten, genoemd in artikel 5, eerste lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.