BWBR0034807
Geldig vanaf 2014-02-13
Artikel 4
Onderlinge regeling Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten ex art. 38, eerste lid, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (beschikbaarstelling detentiecapaciteit)
1. De openbare ministeries van de landen richten hun verzoek om beschikbaarstelling van detentiecapaciteit door tussenkomst van de procureur-generaal tot de Minister van Justitie van het land dat mogelijkerwijs detentiecapaciteit beschikbaar kan stellen.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een advies van de hoofdofficier van justitie, het extract van het vonnis dan wel een afschrift van het bevel tot voorlopige hechtenis, eventuele rapportages over de gedetineerde alsmede overige gegevens die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het verzoek.
3. De Minister van Justitie van het aangezochte land wijst het verzoek, bedoeld in eerste lid, slechts af, indien:
a. de gevraagde capaciteit niet beschikbaar is;
b. de onderbrenging onverenigbaar is met de orde of de veiligheid in de inrichting;
c. dit noodzakelijk is ter bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid;
d. het belang van de voorkoming of opsporing van strafbare feiten zich verzet tegen de onderbrenging;
e. een land dat dichterbij de woonplaats van gedetineerde is gelegen dan het aangezochte land, detentiecapaciteit ter beschikking kan stellen.
4. De Minister van Justitie van het aangezochte land beslist binnen 14 dagen na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het eerste lid.
5. In het geval, bedoeld in artikel 3, derde lid, stelt het openbaar ministerie van het land waarin het bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven of de vrijheidsstraf is opgelegd, door de tussenkomst van de procureur-generaal, het openbaar ministerie van het land waarin de gedetineerde is ondergebracht op de hoogte van de mogelijkheid van terugkeer van de gedetineerde.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een advies van de hoofdofficier van justitie, het extract van het vonnis dan wel een afschrift van het bevel tot voorlopige hechtenis, eventuele rapportages over de gedetineerde alsmede overige gegevens die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het verzoek.
3. De Minister van Justitie van het aangezochte land wijst het verzoek, bedoeld in eerste lid, slechts af, indien:
a. de gevraagde capaciteit niet beschikbaar is;
b. de onderbrenging onverenigbaar is met de orde of de veiligheid in de inrichting;
c. dit noodzakelijk is ter bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid;
d. het belang van de voorkoming of opsporing van strafbare feiten zich verzet tegen de onderbrenging;
e. een land dat dichterbij de woonplaats van gedetineerde is gelegen dan het aangezochte land, detentiecapaciteit ter beschikking kan stellen.
4. De Minister van Justitie van het aangezochte land beslist binnen 14 dagen na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het eerste lid.
5. In het geval, bedoeld in artikel 3, derde lid, stelt het openbaar ministerie van het land waarin het bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven of de vrijheidsstraf is opgelegd, door de tussenkomst van de procureur-generaal, het openbaar ministerie van het land waarin de gedetineerde is ondergebracht op de hoogte van de mogelijkheid van terugkeer van de gedetineerde.