BWBR0034803
Geldig vanaf 2014-02-13
Artikel 4
Onderlinge regeling Nederland, Curaçao en Sint Maarten ex art. 38, eerste lid, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (samenwerking op het gebied van transport gedetineerden tussen Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
1. Het openbaar ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba stelt door tussenkomst van de procureur-generaal de Minister van Justitie van het land dat het transport, bedoeld in artikel 1, aandoet, niet minder dan 5 dagen voorafgaand aan een voorgenomen transport in kennis van dat transport.
2. Deze kennisgeving bevat in ieder geval informatie over:
a. de datum waarop het vervoer van de gedetineerde van Bonaire, Sint Eustatius of Saba start, alsmede de overige relevante vluchtgegevens;
b. de organisatie die de gedetineerde begeleidt;
c. de insluitingsdocumentatie;
d. het aantal begeleidende ambtenaren;
e. de gegevens van de gedetineerde, waaronder ten minste de identiteitsgegevens en het beveiligingsniveau noodzakelijk voor de eventuele detentieplek.
3. Indien het transport een gedetineerde betreft die geneeskundige verzorging behoeft, wordt tevens informatie verstrekt over de noodzakelijke verzorging van de gedetineerde. Het land waar de gedetineerde verblijft ter overbrugging van de periode tot aan het vervolgtransport voorziet in deze verzorging op de voor deze periode beschikbaar gestelde plek.
4. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt zoveel mogelijk schriftelijk. Indien schriftelijke kennisgeving vooraf niet mogelijk is, volstaat een mondelinge kennisgeving slechts wanneer die onverwijld op schrift wordt gesteld. Een afschrift van de kennisgeving wordt terstond verstrekt aan de beveiligingsorganisaties op de betrokken luchthavens van de landen, de Koninklijke marechaussee en de Immigratiedienst.
2. Deze kennisgeving bevat in ieder geval informatie over:
a. de datum waarop het vervoer van de gedetineerde van Bonaire, Sint Eustatius of Saba start, alsmede de overige relevante vluchtgegevens;
b. de organisatie die de gedetineerde begeleidt;
c. de insluitingsdocumentatie;
d. het aantal begeleidende ambtenaren;
e. de gegevens van de gedetineerde, waaronder ten minste de identiteitsgegevens en het beveiligingsniveau noodzakelijk voor de eventuele detentieplek.
3. Indien het transport een gedetineerde betreft die geneeskundige verzorging behoeft, wordt tevens informatie verstrekt over de noodzakelijke verzorging van de gedetineerde. Het land waar de gedetineerde verblijft ter overbrugging van de periode tot aan het vervolgtransport voorziet in deze verzorging op de voor deze periode beschikbaar gestelde plek.
4. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt zoveel mogelijk schriftelijk. Indien schriftelijke kennisgeving vooraf niet mogelijk is, volstaat een mondelinge kennisgeving slechts wanneer die onverwijld op schrift wordt gesteld. Een afschrift van de kennisgeving wordt terstond verstrekt aan de beveiligingsorganisaties op de betrokken luchthavens van de landen, de Koninklijke marechaussee en de Immigratiedienst.