BWBR0034495
Geldig vanaf 2017-08-15
Artikel 2
Beleidsregel inzake aanvullende voorziening reisrecht ex artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000
1. Op verzoek van een thuiswonende mbo- of thuiswonende ho-student, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het adres van de onderwijsinstelling waarbij hij is ingeschreven of het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden.
2. Op verzoek van een uitwonende mbo- of uitwonende ho-student, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden.
3. Op verzoek van een thuiswonende mbo- of thuiswonende ho-student, die kan aantonen dat hij de onderwijsinstelling, waarbij hij is ingeschreven, of het stageadres, met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000.
4. Op verzoek van een uitwonende mbo- of uitwonende ho-student, die kan aantonen dat hij het stageadres met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000.
5. Het derde en het vierde lid zijn niet van toepassing indien de afstand tussen het adres van de onderwijsinstelling of het stageadres en het woonadres van de student minder dan 10 kilometer bedraagt.
6. In afwijking van artikel 1, onder h, zijn het derde tot en met vijfde lid ook van toepassing op studenten die een woonadres in het buitenland hebben.
2. Op verzoek van een uitwonende mbo- of uitwonende ho-student, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden.
3. Op verzoek van een thuiswonende mbo- of thuiswonende ho-student, die kan aantonen dat hij de onderwijsinstelling, waarbij hij is ingeschreven, of het stageadres, met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000.
4. Op verzoek van een uitwonende mbo- of uitwonende ho-student, die kan aantonen dat hij het stageadres met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000.
5. Het derde en het vierde lid zijn niet van toepassing indien de afstand tussen het adres van de onderwijsinstelling of het stageadres en het woonadres van de student minder dan 10 kilometer bedraagt.
6. In afwijking van artikel 1, onder h, zijn het derde tot en met vijfde lid ook van toepassing op studenten die een woonadres in het buitenland hebben.