BWBR0034217
Geldig vanaf 01-01-2014
Artikel 6
Regeling medisch specialistische zorg
6.1. De registratie van het zorgtraject start op het moment dat een patiënt zich met een nieuwe zorgvraag bij de medisch specialist6Waar in de artikelen 6 tot en met 11 van deze regeling wordt gesproken over ‘medisch specialist’ kan daarmee ook worden bedoeld: de klinisch fysicus audioloog of de specialist ouderengeneeskunde. meldt óf, indien dat eerder is, op het moment dat de eerste zorgactiviteit plaatsvindt in het kader van deze nieuwe zorgvraag.
6.2. Wanneer er bij de behandeling van de zorgvraag van de patiënt meer poortspecialismen zijn betrokken als hoofdbehandelaar, opent elk poortspecialisme een eigen zorgtraject als sprake is van een eigen zorgvraag, diagnosestelling én behandeling.
6.3. De verleende zorg wordt vastgelegd7Onder vastleggen wordt hier ook een juiste vertaling van lokale verrichtingen naar zorgactiviteiten bedoeld. in door de NZa vastgestelde zorgactiviteiten.
6.4. Indien meerdere specialismen bijdragen aan het uitvoeren van één zorgactiviteit, mag deze zorgactiviteit eenmaal voor de afleiding van een DBC-zorgproduct worden benut.
6.5. De medisch specialist is verantwoordelijk voor het vaststellen of er bij de behandeling van een patiënt aan de medische indicatie vereisten wordt voldaan op basis van de Zorgverzekeringswet. De medisch specialist is ook verantwoordelijk om dit op een juiste wijze vast te leggen bij de registratie van de zorgactiviteit.
6.6. De poortspecialist is verantwoordelijk voor de juiste registratie van het zorgtype, de zorgvraag en de diagnose. Daarbij beperkt de specialist zich tot de typeringslijst die geldt voor dat specialisme of type van zorg.8Ieder specialisme heeft een eigen typeringslijst.
6.7. De administratieve organisatie is zo ingericht dat een audit-trail mogelijk is. De NZa en de zorgverzekeraar moeten altijd de mogelijkheid hebben om de typering en vastgelegde zorgactiviteiten op juistheid te controleren.
6.8. Een add-on kan uitsluitend worden geregistreerd in combinatie met een subtraject.9Deze voorwaarde is niet van toepassing als een geneesmiddel met een add-on declaratietitel in het buitenland wordt toegediend en de add-on in Nederland wordt gedeclareerd. Dit geldt niet voor een add-on intensive care, met zorgtype 52.
6.9. De zorgaanbieder zorgt ervoor dat de declaratiedataset die aan een grouper wordt aangeboden uitsluitend zorgactiviteiten bevat die zijn uitgevoerd ter beantwoording van de zorgvraag waarop het subtraject betrekking heeft.10Met inachtneming van de bepalingen van deze regeling.
6.10. Een uitgevoerde zorgactiviteit mag slechts aan één subtraject worden gekoppeld.
6.2. Wanneer er bij de behandeling van de zorgvraag van de patiënt meer poortspecialismen zijn betrokken als hoofdbehandelaar, opent elk poortspecialisme een eigen zorgtraject als sprake is van een eigen zorgvraag, diagnosestelling én behandeling.
6.3. De verleende zorg wordt vastgelegd7Onder vastleggen wordt hier ook een juiste vertaling van lokale verrichtingen naar zorgactiviteiten bedoeld. in door de NZa vastgestelde zorgactiviteiten.
6.4. Indien meerdere specialismen bijdragen aan het uitvoeren van één zorgactiviteit, mag deze zorgactiviteit eenmaal voor de afleiding van een DBC-zorgproduct worden benut.
6.5. De medisch specialist is verantwoordelijk voor het vaststellen of er bij de behandeling van een patiënt aan de medische indicatie vereisten wordt voldaan op basis van de Zorgverzekeringswet. De medisch specialist is ook verantwoordelijk om dit op een juiste wijze vast te leggen bij de registratie van de zorgactiviteit.
6.6. De poortspecialist is verantwoordelijk voor de juiste registratie van het zorgtype, de zorgvraag en de diagnose. Daarbij beperkt de specialist zich tot de typeringslijst die geldt voor dat specialisme of type van zorg.8Ieder specialisme heeft een eigen typeringslijst.
6.7. De administratieve organisatie is zo ingericht dat een audit-trail mogelijk is. De NZa en de zorgverzekeraar moeten altijd de mogelijkheid hebben om de typering en vastgelegde zorgactiviteiten op juistheid te controleren.
6.8. Een add-on kan uitsluitend worden geregistreerd in combinatie met een subtraject.9Deze voorwaarde is niet van toepassing als een geneesmiddel met een add-on declaratietitel in het buitenland wordt toegediend en de add-on in Nederland wordt gedeclareerd. Dit geldt niet voor een add-on intensive care, met zorgtype 52.
6.9. De zorgaanbieder zorgt ervoor dat de declaratiedataset die aan een grouper wordt aangeboden uitsluitend zorgactiviteiten bevat die zijn uitgevoerd ter beantwoording van de zorgvraag waarop het subtraject betrekking heeft.10Met inachtneming van de bepalingen van deze regeling.
6.10. Een uitgevoerde zorgactiviteit mag slechts aan één subtraject worden gekoppeld.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0034217
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl