BWBR0034026
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 10
Wet basisregistratie grootschalige topografie
1. Bronhouder zijn:
a. het dagelijks bestuur van een waterschap, voor zover het betreft geografische objecten die onderdeel zijn van oppervlaktewateren, waterkeringen en kunstwerken, waarvoor een legger als bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet is vastgesteld, alsmede de daartoe behorende terreinen en de wegen die in beheer zijn bij een waterschap;
b. gedeputeerde staten van de provincie, voor zover het betreft geografische objecten die onderdeel zijn van wegen, spoorwegen, oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen, kunstwerken en de daartoe behorende terreinen die in beheer zijn bij de provincie;
c. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor zover het betreft geografische objecten die onderdeel zijn van wegen, oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen, kunstwerken en de daartoe behorende terreinen die in beheer zijn bij het Rijk;
d. de beheerder van de hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Spoorwegwet, voor zover het betreft geografische objecten die onderdeel zijn van spoorwegen, kunstwerken en de daartoe behorende terreinen waarover deze het beheer voert;
e. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover het betreft begroeide terreindelen die in het kader van de uitvoering van artikel 24, eerste lid, van de Landbouwwet, en artikel 34, eerste lid, van de Meststoffenwet worden geïdentificeerd;
f. Onze Minister van Defensie, voor zover het betreft geografische objecten die onderdeel zijn van defensieterrein, alsmede de basislijn;
g. burgemeester en wethouders van de gemeente, voor zover het betreft geografische objecten: 1°. gesitueerd in het gebied binnen de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van de geografische objecten waarvoor op grond van de onderdelen a tot en met f een andere bronhouder verantwoordelijk is;
2°. gesitueerd in het gebied buiten de bebouwde kom en die onderdeel zijn van gebouwen met de bijbehorende erven, alsmede van wegen en kunstwerken en de daartoe behorende terreinen die in beheer zijn bij de gemeente, alsmede van spoorwegen waarvoor op grond van de onderdelen a tot en met f niet een andere bronhouder verantwoordelijk is.
1°. gesitueerd in het gebied binnen de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van de geografische objecten waarvoor op grond van de onderdelen a tot en met f een andere bronhouder verantwoordelijk is;
2°. gesitueerd in het gebied buiten de bebouwde kom en die onderdeel zijn van gebouwen met de bijbehorende erven, alsmede van wegen en kunstwerken en de daartoe behorende terreinen die in beheer zijn bij de gemeente, alsmede van spoorwegen waarvoor op grond van de onderdelen a tot en met f niet een andere bronhouder verantwoordelijk is.
2. Voor een geografisch object als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel o, bepalen bronhouders van de daaraan grenzende geografische objecten in onderlinge overeenstemming door wie de bijhouding, bedoeld in artikel 11, geschiedt.
a. het dagelijks bestuur van een waterschap, voor zover het betreft geografische objecten die onderdeel zijn van oppervlaktewateren, waterkeringen en kunstwerken, waarvoor een legger als bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet is vastgesteld, alsmede de daartoe behorende terreinen en de wegen die in beheer zijn bij een waterschap;
b. gedeputeerde staten van de provincie, voor zover het betreft geografische objecten die onderdeel zijn van wegen, spoorwegen, oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen, kunstwerken en de daartoe behorende terreinen die in beheer zijn bij de provincie;
c. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor zover het betreft geografische objecten die onderdeel zijn van wegen, oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen, kunstwerken en de daartoe behorende terreinen die in beheer zijn bij het Rijk;
d. de beheerder van de hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Spoorwegwet, voor zover het betreft geografische objecten die onderdeel zijn van spoorwegen, kunstwerken en de daartoe behorende terreinen waarover deze het beheer voert;
e. Onze Minister van Economische Zaken, voor zover het betreft begroeide terreindelen die in het kader van de uitvoering van artikel 24, eerste lid, van de Landbouwwet, en artikel 34, eerste lid, van de Meststoffenwet worden geïdentificeerd;
f. Onze Minister van Defensie, voor zover het betreft geografische objecten die onderdeel zijn van defensieterrein, alsmede de basislijn;
g. burgemeester en wethouders van de gemeente, voor zover het betreft geografische objecten: 1°. gesitueerd in het gebied binnen de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van de geografische objecten waarvoor op grond van de onderdelen a tot en met f een andere bronhouder verantwoordelijk is;
2°. gesitueerd in het gebied buiten de bebouwde kom en die onderdeel zijn van gebouwen met de bijbehorende erven, alsmede van wegen en kunstwerken en de daartoe behorende terreinen die in beheer zijn bij de gemeente, alsmede van spoorwegen waarvoor op grond van de onderdelen a tot en met f niet een andere bronhouder verantwoordelijk is.
1°. gesitueerd in het gebied binnen de bebouwde kom, bedoeld in artikel 20a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van de geografische objecten waarvoor op grond van de onderdelen a tot en met f een andere bronhouder verantwoordelijk is;
2°. gesitueerd in het gebied buiten de bebouwde kom en die onderdeel zijn van gebouwen met de bijbehorende erven, alsmede van wegen en kunstwerken en de daartoe behorende terreinen die in beheer zijn bij de gemeente, alsmede van spoorwegen waarvoor op grond van de onderdelen a tot en met f niet een andere bronhouder verantwoordelijk is.
2. Voor een geografisch object als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel o, bepalen bronhouders van de daaraan grenzende geografische objecten in onderlinge overeenstemming door wie de bijhouding, bedoeld in artikel 11, geschiedt.