BWBR0033871
Geldig vanaf 2021-12-07
Artikel 3
Uitvoeringsregeling experimenten doorlopende leerlijnen vmbo-mbo 2014–2022
1. De afspraken neergelegd in de samenwerkingsovereenkomst of de interne regeling zijn zodanig vormgegeven dat daaruit blijkt dat een goede uitvoering van het experiment mogelijk is. Uit de afspraken neergelegd in de samenwerkingsovereenkomst of de interne regeling blijkt tevens dat het bedrijfsleven voldoende betrokken is bij de opzet van het experiment en bij de selectie van de kwalificaties die binnen het experiment per opleidingsdomein zullen worden aangeboden.
2. Uit het projectplan blijkt:
a. dat de voorbereiding van het project zodanig is gevorderd dat bij de aanvang van het schooljaar waarop de aanvraag betrekking heeft, daadwerkelijk kan worden gestart met het onderwijs in het experiment met de vakmanschaproute of de beroepsroute;
b. dat de organisatie van het project zodanig is vormgegeven dat er voldoende draagvlak is voor deelname aan het experiment bij het bevoegd gezag, het middenmanagement en de docenten van de betreffende school of instelling en dat de taken en verantwoordelijkheden binnen het experiment op een zodanige manier zijn belegd dat het verantwoord kan worden uitgevoerd;
c. dat het onderwijsproces zodanig wordt georganiseerd dat het onderwijs als programmatisch geheel wordt aangeboden en dat met het experiment de programmatische aansluiting tussen de leerwegen en het beroepsonderwijs wordt verbeterd; en
d. dat het onderwijsproces zodanig is ingericht dat is geborgd dat dit gedurende de looptijd van het experiment kan worden uitgevoerd overeenkomstig de door de minister goedgekeurde aanvraag, onder meer blijkend uit de wijze waarop de door de aanvrager geconstateerde risico’s worden beheerst.
2. Uit het projectplan blijkt:
a. dat de voorbereiding van het project zodanig is gevorderd dat bij de aanvang van het schooljaar waarop de aanvraag betrekking heeft, daadwerkelijk kan worden gestart met het onderwijs in het experiment met de vakmanschaproute of de beroepsroute;
b. dat de organisatie van het project zodanig is vormgegeven dat er voldoende draagvlak is voor deelname aan het experiment bij het bevoegd gezag, het middenmanagement en de docenten van de betreffende school of instelling en dat de taken en verantwoordelijkheden binnen het experiment op een zodanige manier zijn belegd dat het verantwoord kan worden uitgevoerd;
c. dat het onderwijsproces zodanig wordt georganiseerd dat het onderwijs als programmatisch geheel wordt aangeboden en dat met het experiment de programmatische aansluiting tussen de leerwegen en het beroepsonderwijs wordt verbeterd; en
d. dat het onderwijsproces zodanig is ingericht dat is geborgd dat dit gedurende de looptijd van het experiment kan worden uitgevoerd overeenkomstig de door de minister goedgekeurde aanvraag, onder meer blijkend uit de wijze waarop de door de aanvrager geconstateerde risico’s worden beheerst.