BWBR0033796
Geldig vanaf 2013-08-31
Artikel 4
Regeling educatieve minor beroepsonderwijs 2013–2016
1. Subsidie kan worden aangevraagd door het bevoegd gezag van de hogeschool die een vakbacheloropleiding aanbiedt waarbinnen de educatieve minor beroepsonderwijs wordt vormgegeven en die in die hoedanigheid deel uitmaakt van een samenwerkingsverband educatieve minor.
2. De subsidieaanvraag wordt ingediend met behulp van het aanvraagformulier regeling educatieve minor beroepsonderwijs 2013–2016 dat via de website van de Dienst Uitvoering Onderwijs beschikbaar wordt gesteld.
3. Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag kan per periode slechts één aanvraag indienen.
4. Bij de aanvraag dient de subsidieaanvrager een samenwerkingsovereenkomst, een plan van aanpak met in ieder geval een tijdpad en een begroting in.
5. In de samenwerkingsovereenkomst zijn de afspraken tussen de deelnemende partijen in het samenwerkingsverband vastgelegd. De samenwerkingsovereenkomst bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van het doel van de samenwerking;
b. de beoogde resultaten, in termen van het aantal studenten dat de minor volgt en succesvol afrondt en het verwachte percentage minorstudenten dat doorstroomt naar lerarenopleidingen;
c. afspraken over de inzet en verdeling van middelen;
d. een machtiging met betrekking tot het penvoerderschap, waarbij het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, door de overige partners van het samenwerkingsverband wordt gemachtigd hen te vertegenwoordigen.
6. In het plan van aanpak worden alle door het samenwerkingsverband te verrichten activiteiten beschreven, waaronder de activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid.
7. De begroting bevat een overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
2. De subsidieaanvraag wordt ingediend met behulp van het aanvraagformulier regeling educatieve minor beroepsonderwijs 2013–2016 dat via de website van de Dienst Uitvoering Onderwijs beschikbaar wordt gesteld.
3. Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag kan per periode slechts één aanvraag indienen.
4. Bij de aanvraag dient de subsidieaanvrager een samenwerkingsovereenkomst, een plan van aanpak met in ieder geval een tijdpad en een begroting in.
5. In de samenwerkingsovereenkomst zijn de afspraken tussen de deelnemende partijen in het samenwerkingsverband vastgelegd. De samenwerkingsovereenkomst bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van het doel van de samenwerking;
b. de beoogde resultaten, in termen van het aantal studenten dat de minor volgt en succesvol afrondt en het verwachte percentage minorstudenten dat doorstroomt naar lerarenopleidingen;
c. afspraken over de inzet en verdeling van middelen;
d. een machtiging met betrekking tot het penvoerderschap, waarbij het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, door de overige partners van het samenwerkingsverband wordt gemachtigd hen te vertegenwoordigen.
6. In het plan van aanpak worden alle door het samenwerkingsverband te verrichten activiteiten beschreven, waaronder de activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid.
7. De begroting bevat een overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.