BWBR0033649
Geldig vanaf 2013-07-12
Artikel 1
Besluit aanwijzing toezichthouders en opsporingsambtenaren Inspectie Leefomgeving en Transport betreffende vervoerswetgeving
1. De ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport belast met toezicht en opsporing worden aangewezen als de ambtenaren van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu bedoeld in:
a. artikel 5.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet wegvervoer goederen;
b. artikel 3, eerste lid, van het Besluit van 7 april 1995 houdende aanwijzing van ambtenaren belast met opsporing als bedoeld in artikel 159, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 247);
c. artikel 7, onderdeel b, van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot;
d. artikel 87, eerste lid, onderdeel a, vierde en zesde lid, van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 12 tot en met 14 en hoofdstuk II van de Wet personenvervoer 2000 voor zover dit betrekking heeft op concessies door de Minister van Infrastructuur en Milieu verleend voor openbaar vervoer per trein.
2. In afwijking van de uitzondering, bedoeld in het eerste lid, onder d, worden de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de inhoud van het vervoerplan, bedoeld in artikel 35a van de Wet personenvervoer 2000, voor zover het betreft de beschrijving in het vervoerplan van de beveiligingsmaatregelen die genomen worden voor treinen die vanuit Nederland door de Kanaaltunnel gaan rijden.
a. artikel 5.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet wegvervoer goederen;
b. artikel 3, eerste lid, van het Besluit van 7 april 1995 houdende aanwijzing van ambtenaren belast met opsporing als bedoeld in artikel 159, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 247);
c. artikel 7, onderdeel b, van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot;
d. artikel 87, eerste lid, onderdeel a, vierde en zesde lid, van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 12 tot en met 14 en hoofdstuk II van de Wet personenvervoer 2000 voor zover dit betrekking heeft op concessies door de Minister van Infrastructuur en Milieu verleend voor openbaar vervoer per trein.
2. In afwijking van de uitzondering, bedoeld in het eerste lid, onder d, worden de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de inhoud van het vervoerplan, bedoeld in artikel 35a van de Wet personenvervoer 2000, voor zover het betreft de beschrijving in het vervoerplan van de beveiligingsmaatregelen die genomen worden voor treinen die vanuit Nederland door de Kanaaltunnel gaan rijden.