1. De leden van de commissie worden door de staatssecretaris in overeenstemming met de minister benoemd, de voorzitter van het bestuur gehoord hebbend.
2. De commissie bestaat uit drie leden, waarvan er één wordt benoemd tot voorzitter.
3. De leden van de commissie worden benoemd voor een periode van drie jaar. Leden kunnen voor maximaal twee termijnen van drie jaar worden herbenoemd.
4. Benoeming van een nieuw lid, ter vervanging van een tussentijds teruggetreden lid, zal pas plaatsvinden nadat de voorzitter van het bestuur en de overige leden van de commissie over de te benoemen kandidaat zijn gehoord.
5. Het lidmaatschap van de commissie eindigt door:
a. overlijden van het lid;
b. terugtreden van het lid, met dien verstande dat het lidmaatschap voortduurt zolang er nog geen opvolger is benoemd;
c. terugtreden van het lid op verzoek van de staatssecretaris in overeenstemming met de minister.
6. De staatssecretaris kan in overeenstemming met de minister in de volgende situaties een lid van de commissie van zijn taak ontheffen:
a. onverenigbaarheid van belangen;
b. in het geding zijn van de integriteit van het lid;
c. verwaarlozing van taken;
d. structurele onenigheid met de overige leden van de commissie;
e. een verstoorde verhouding met het bestuur die een juiste uitvoering van taken door het lid verhinderen;
f. enige andere objectiveerbare reden die tot terugtreden noopt.
7. Een lid van de commissie kan gedurende zijn of haar zittingsperiode niet tevens lid zijn van het bestuur, de Raad van Advies van de SDa of enig andere door het bestuur in te stellen orgaan of commissie.
8. De leden van de commissie zijn onafhankelijk, zijn geen bestuurder, commissaris of anderszins belanghebbende bij partijen die zakelijke relaties onderhouden met de SDa of bij partijen in de diergeneesmiddelenketen.
9. Ieder lid van de commissie is verplicht vóór de benoeming dan wel tijdens de zittingsperiode (neven)functies schriftelijk te melden aan de staatssecretaris. Deze zal in overeenstemming met de minister beoordelen of de (neven)functies strijdig zijn met het lidmaatschap van de commissie en deze beoordeling aan het betrokken lid schriftelijk bekend maken. De beslissing kan zijn dat een (neven)functie:
a. niet strijdig is met het lidmaatschap van de commissie;
b. strijdig is of kan zijn met het lidmaatschap van de commissie.
10. Indien een (neven)functie strijdig is of kan zijn met het lidmaatschap van de commissie, zal het lidmaatschap van de commissie aan betrokkene worden onthouden, dan wel zal het betrokken lid worden ontheven van het lidmaatschap van de commissie.