BWBR0033317
Geldig vanaf 26-04-2009
Artikel 7
Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds
1. Het bestuur zal een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, slechts verlenen, indien en voor zover naar zijn oordeel de grondgebruiker de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.
2. Maatregelen of inspanningen ter voorkoming of beperkingen van schade, waarvan het bestuur meent dat deze naar eisen van redelijkheid en billijkheid door de grondgebruiker kunnen worden genomen zijn voor kwetsbare gewassen de inzet van zowel visuele en akoestische middelen in voldoende aantallen. In plaats van deze middelen kan ter bescherming van kwetsbare gewassen ook een deugdelijk raster worden geplaatst als de schade wordt aangericht door diersoorten die staan vermeld onder artikel 4, eerste lid, onder a, van de wet. Voor overige gewassen kan worden volstaan met verjaging door menselijke aanwezigheid. Ter ondersteuning van deze verjaging dient een ontheffing als bedoeld in het derde lid, onder a, te worden aangevraagd. Indien een grondgebruiker in plaats van de hiervoor genoemde middelen ter voorkoming en beperking van schade een alternatief middel wil aanwenden, legt hij het gebruik van het middel vooraf schriftelijk voor aan het bestuur.
3. Een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2 veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid onderdeel a en b van de wet en waarvoor ingevolge artikel 68 van de wet een ontheffing kan worden verleend, wordt slechts toegekend indien:
a. de ontheffing op deugdelijke wijze is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door de betreffende provincie is geweigerd;
b. de ontheffing is verleend en er ondanks dat daarvan naar het oordeel van het bestuur op adequate wijze gebruik is gemaakt, bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige produkten is opgetreden.
4. Gedurende de periode van 1 oktober tot en met 31 maart en in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe in de periode van 1 oktober tot en met 30 april zijn geen maatregelen of inspanningen ter voorkoming of beperking van schade vereist op percelen welke door het provinciaal bestuur zijn aangewezen als foerageergebied voor kolganzen, grauwe ganzen of smienten.
5. Gedurende de periode van 1 oktober tot en met 31 maart en in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe in de periode van 1 oktober tot en met 30 april dienen kolganzen, grauwe ganzen of smienten op overjarig grasland, welke niet door het provinciaal bestuur als foerageergebied voor deze diersoorten zijn aangewezen:
a. van zonsopkomst tot 12.00 ter voorkoming of beperking van schade door menselijke aanwezigheid te worden verjaagd en dient ter ondersteuning van deze verjaging een ontheffing krachtens artikel 68 van de wet te worden aangevraagd.
b. voor de periode na 12.00 uur tot zonsondergang dienen kolganzen, grauwe ganzen en smienten te worden verjaagd door menselijke aanwezigheid of het gebruik van één of meer honden of vogelafweerpistolen.
6. Voor gewassen, teelten of overige produkten, welke door de plaats, het moment of de wijze van telen of houden bijzonder kwetsbaar zijn voor schade veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b van de wet kan het bestuur een verhoogd eigen risico instellen.
2. Maatregelen of inspanningen ter voorkoming of beperkingen van schade, waarvan het bestuur meent dat deze naar eisen van redelijkheid en billijkheid door de grondgebruiker kunnen worden genomen zijn voor kwetsbare gewassen de inzet van zowel visuele en akoestische middelen in voldoende aantallen. In plaats van deze middelen kan ter bescherming van kwetsbare gewassen ook een deugdelijk raster worden geplaatst als de schade wordt aangericht door diersoorten die staan vermeld onder artikel 4, eerste lid, onder a, van de wet. Voor overige gewassen kan worden volstaan met verjaging door menselijke aanwezigheid. Ter ondersteuning van deze verjaging dient een ontheffing als bedoeld in het derde lid, onder a, te worden aangevraagd. Indien een grondgebruiker in plaats van de hiervoor genoemde middelen ter voorkoming en beperking van schade een alternatief middel wil aanwenden, legt hij het gebruik van het middel vooraf schriftelijk voor aan het bestuur.
3. Een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2 veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid onderdeel a en b van de wet en waarvoor ingevolge artikel 68 van de wet een ontheffing kan worden verleend, wordt slechts toegekend indien:
a. de ontheffing op deugdelijke wijze is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door de betreffende provincie is geweigerd;
b. de ontheffing is verleend en er ondanks dat daarvan naar het oordeel van het bestuur op adequate wijze gebruik is gemaakt, bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige produkten is opgetreden.
4. Gedurende de periode van 1 oktober tot en met 31 maart en in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe in de periode van 1 oktober tot en met 30 april zijn geen maatregelen of inspanningen ter voorkoming of beperking van schade vereist op percelen welke door het provinciaal bestuur zijn aangewezen als foerageergebied voor kolganzen, grauwe ganzen of smienten.
5. Gedurende de periode van 1 oktober tot en met 31 maart en in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe in de periode van 1 oktober tot en met 30 april dienen kolganzen, grauwe ganzen of smienten op overjarig grasland, welke niet door het provinciaal bestuur als foerageergebied voor deze diersoorten zijn aangewezen:
a. van zonsopkomst tot 12.00 ter voorkoming of beperking van schade door menselijke aanwezigheid te worden verjaagd en dient ter ondersteuning van deze verjaging een ontheffing krachtens artikel 68 van de wet te worden aangevraagd.
b. voor de periode na 12.00 uur tot zonsondergang dienen kolganzen, grauwe ganzen en smienten te worden verjaagd door menselijke aanwezigheid of het gebruik van één of meer honden of vogelafweerpistolen.
6. Voor gewassen, teelten of overige produkten, welke door de plaats, het moment of de wijze van telen of houden bijzonder kwetsbaar zijn voor schade veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b van de wet kan het bestuur een verhoogd eigen risico instellen.
- Citeren als
- Art. 7
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0033317
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl