BWBR0033151
Geldig vanaf 20-04-2012
Artikel 4
Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging kansspelautoriteit 2012
1. Aan de voorzitter van de raad van bestuur kan mandaat worden verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur behorende aangelegenheden, met uitzondering van:
a. het nemen van sanctiebesluiten;
b. het nemen van beslissingen op bezwaar ten aanzien van sanctiebesluiten;
c. het nemen van beslissingen ten aanzien van klachten op grond van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht;
d. het nemen van besluiten die neergelegd zijn in een document, gericht tot: – de minister van Veiligheid en Justitie;
– de Tweede Kamer;
– de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven.
– de minister van Veiligheid en Justitie;
– de Tweede Kamer;
– de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven.
2. Aan de directeur kan mandaat worden verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur behorende aangelegenheden, met uitzondering van:
a. het nemen van sanctiebesluiten;
b. het nemen van beslissingen op bezwaar ten aanzien van sanctiebesluiten;
c. het nemen van beslissingen ten aanzien van klachten op grond van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht;
d. het nemen van besluiten die neergelegd zijn in een document, gericht tot: – de minister van Veiligheid en Justitie,
– de Tweede Kamer,
– de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven.
– de minister van Veiligheid en Justitie,
– de Tweede Kamer,
– de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven.
3. De directeur wordt toegestaan ondermandaat te verlenen aan de afdelingshoofden.
4. Verleend ondermandaat kan slechts één hiërarchisch niveau verder worden doorgegeven.
5. Het verlenen van ondermandaat behoeft de goedkeuring van de raad.
a. het nemen van sanctiebesluiten;
b. het nemen van beslissingen op bezwaar ten aanzien van sanctiebesluiten;
c. het nemen van beslissingen ten aanzien van klachten op grond van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht;
d. het nemen van besluiten die neergelegd zijn in een document, gericht tot: – de minister van Veiligheid en Justitie;
– de Tweede Kamer;
– de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven.
– de minister van Veiligheid en Justitie;
– de Tweede Kamer;
– de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven.
2. Aan de directeur kan mandaat worden verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur behorende aangelegenheden, met uitzondering van:
a. het nemen van sanctiebesluiten;
b. het nemen van beslissingen op bezwaar ten aanzien van sanctiebesluiten;
c. het nemen van beslissingen ten aanzien van klachten op grond van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht;
d. het nemen van besluiten die neergelegd zijn in een document, gericht tot: – de minister van Veiligheid en Justitie,
– de Tweede Kamer,
– de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven.
– de minister van Veiligheid en Justitie,
– de Tweede Kamer,
– de Nationale ombudsman, indien de strekking daarvan is dat aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven.
3. De directeur wordt toegestaan ondermandaat te verlenen aan de afdelingshoofden.
4. Verleend ondermandaat kan slechts één hiërarchisch niveau verder worden doorgegeven.
5. Het verlenen van ondermandaat behoeft de goedkeuring van de raad.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0033151
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl