BWBR0032805
Geldig vanaf 01-03-2013
Artikel 13
Beleidsregel ontheffing gerelateerde voertuigdocumenten
1. Indien het een aanvraag van een getrokken voertuig betreft, waarbij in onbeladen toestand niet wordt voldaan aan artikel 5.12.6, derde lid van de Regeling voertuigen, geldt het volgende:
a. een oplegger voor ondeelbare lading, niet zijnde een getrokken werktuig, waarbij de afstand tussen hart koppeling en achterzijde meer dan 12,00 m bedraagt, moet zijn voorzien van gedwongen besturing volgens ECE reglement R79 of richtlijn 70/311/EEG;
b. een oplegger voor vervoer ballastdelen voor een mobiele kraan, niet zijnde een getrokken werktuig, waarbij de afstand tussen hart koppeling en achterzijde meer dan 12,00 m bedraagt, moet zijn voorzien van gedwongen besturing volgens ECE reglement R79 of richtlijn 70/311/EEG;
c. een aanhangwagen voor ondeelbare lading, niet zijnde een oplegger of een getrokken werktuig, waarbij de totale lengte van de aanhangwagen meer bedraagt dan 12,00 m dient uitgevoerd te zijn als dieplader.
2. Indien niet wordt voldaan aan artikel 5.18.11 of 5.18.13 van de Regeling voertuigen, geldt het volgende:
a. een oplegger als bedoeld in het eerste lid, onder a, en een trekker waarbij de totale lengte van de voertuigen maximaal 27,00 m bedraagt, moet ten minste aan de draaiproefeisen als bedoeld in bijlage B voldoen;
b. een aanhangwagen als bedoeld in het eerste lid, onder c, en een bedrijfsauto waarbij de totale lengte van de voertuigen maximaal 22,00 m is, wordt geacht te voldoen aan de draaiproefeisen in bijlage B;
c. een aanhangwagen als bedoeld in het eerste lid, onder c, en een bedrijfsauto waarbij de totale lengte van de voertuigen meer dan 22,00 m bedraagt, moet zijn voorzien van gedwongen dan wel zelfsturende besturing achterassen volgens ECE reglement R79 of richtlijn 70/311/EEG, en voldoen aan de draaiproefeisen als bedoeld in Bijlage B.
a. een oplegger voor ondeelbare lading, niet zijnde een getrokken werktuig, waarbij de afstand tussen hart koppeling en achterzijde meer dan 12,00 m bedraagt, moet zijn voorzien van gedwongen besturing volgens ECE reglement R79 of richtlijn 70/311/EEG;
b. een oplegger voor vervoer ballastdelen voor een mobiele kraan, niet zijnde een getrokken werktuig, waarbij de afstand tussen hart koppeling en achterzijde meer dan 12,00 m bedraagt, moet zijn voorzien van gedwongen besturing volgens ECE reglement R79 of richtlijn 70/311/EEG;
c. een aanhangwagen voor ondeelbare lading, niet zijnde een oplegger of een getrokken werktuig, waarbij de totale lengte van de aanhangwagen meer bedraagt dan 12,00 m dient uitgevoerd te zijn als dieplader.
2. Indien niet wordt voldaan aan artikel 5.18.11 of 5.18.13 van de Regeling voertuigen, geldt het volgende:
a. een oplegger als bedoeld in het eerste lid, onder a, en een trekker waarbij de totale lengte van de voertuigen maximaal 27,00 m bedraagt, moet ten minste aan de draaiproefeisen als bedoeld in bijlage B voldoen;
b. een aanhangwagen als bedoeld in het eerste lid, onder c, en een bedrijfsauto waarbij de totale lengte van de voertuigen maximaal 22,00 m is, wordt geacht te voldoen aan de draaiproefeisen in bijlage B;
c. een aanhangwagen als bedoeld in het eerste lid, onder c, en een bedrijfsauto waarbij de totale lengte van de voertuigen meer dan 22,00 m bedraagt, moet zijn voorzien van gedwongen dan wel zelfsturende besturing achterassen volgens ECE reglement R79 of richtlijn 70/311/EEG, en voldoen aan de draaiproefeisen als bedoeld in Bijlage B.
- Citeren als
- Art. 13
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0032805
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl