Artikel 1
De buitengewoon opsporingsambtenaar draagt bij het uitoefenen van zijn functie een legitimatiebewijs bij zich volgens het model, opgenomen in de bijlagebij deze regeling, tenzij voor hem of voor de categorie van buitengewone opsporingsambtenaren waartoe hij behoort, een ander legitimatiebewijs is aangewezen.