Artikel 1
1. Personen als bedoeld in de artikelen 3:8, eerste lid, en 4:9, eerste lid, van de wet, leggen binnen drie maanden na aanvang van hun werkzaamheden voor de onderneming een eed of belofte af, indien mogelijk ten overstaan van een persoon in een hogere functie en in tegenwoordigheid van een andere vertegenwoordiger van de onderneming.
2. Onder persoon in een hogere functie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
a. een beleidsbepaler in een hogere functie, indien de persoon die de eed of belofte aflegt de functie van beleidsbepaler uitoefent;
b. de voorzitter van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, indien de persoon die de eed of belofte aflegt de hoogste functie binnen de onderneming uitoefent;
c. de voorzitter van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, indien de persoon die de eed of belofte aflegt een lid van dit orgaan is;
d. het langstzittende lid van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, indien de persoon die de eed of belofte aflegt de voorzitter van dit orgaan is;
e. een andere persoon werkzaam bij of onder verantwoordelijkheid van de onderneming, indien de onderdelen a tot en met d niet op de onderneming van toepassing zijn.
3. In afwijking van het eerste lid kan de eed of belofte tevens ten overstaan van een bestuurslid van de betrokken branche- of beroepsorganisatie worden afgelegd, in tegenwoordigheid van een andere vertegenwoordiger van de onderneming of van de branche- of beroepsorganisatie.
2. Onder persoon in een hogere functie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
a. een beleidsbepaler in een hogere functie, indien de persoon die de eed of belofte aflegt de functie van beleidsbepaler uitoefent;
b. de voorzitter van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, indien de persoon die de eed of belofte aflegt de hoogste functie binnen de onderneming uitoefent;
c. de voorzitter van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, indien de persoon die de eed of belofte aflegt een lid van dit orgaan is;
d. het langstzittende lid van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, indien de persoon die de eed of belofte aflegt de voorzitter van dit orgaan is;
e. een andere persoon werkzaam bij of onder verantwoordelijkheid van de onderneming, indien de onderdelen a tot en met d niet op de onderneming van toepassing zijn.
3. In afwijking van het eerste lid kan de eed of belofte tevens ten overstaan van een bestuurslid van de betrokken branche- of beroepsorganisatie worden afgelegd, in tegenwoordigheid van een andere vertegenwoordiger van de onderneming of van de branche- of beroepsorganisatie.